Audioversie Bidstond Waddinxveen 8febr.2017

februari 27, 2017

Hier kunt u de bidstond van Waddinxveen 8 februari 2017 (Met ds. van Tilburg en dhr. B. Belder) downloaden. (mp3)


Over de ‘normaliteit’ van antisemitisme in Europa

februari 13, 2017

Lezing St. Herleving Gebed voor Israël, Waddinxveen, woensdag 8 februari 2017

Geachte aanwezigen,

Als Jood getuigde de dichter en theoloog Isaäc Da Costa (1798-1860) van vervolging en smart. In navolging van Psalm 129.

Zij hebben, zegge Isrel, van ouds my gekweld,
Benaauwd van der jeugd aan, geploegd als een veld.
Toch hebben zy tegen my niet overmocht.
Maar rouw blijft mijn deel en mijn leed onbezocht.

Deze klacht, deze aanklacht heeft tot op heden niets aan schrijnende actualiteit verloren.

In Straatsburg sprak ik in het Europees Parlement jaren achtereen maandelijks met een gepensioneerd medicus van Joodse origine. Ik hoor hem nog zeggen: “Het antisemitisme in Europa is de normaalste zaak van de wereld geworden.”European Commission in Brussels. Photo: Stephen Brown/ENInews

Een vraag. Onderkennen wij als christenen ook in deze realiteit het gevaar van haar ‘normaliteit’?

Over deze prangende vraag publiceerde de Duitse antisemitisme-onderzoeker prof. Monika Schwarz-Friesel zomer 2016 een opinieartikel dat als een regelrechte aanklacht leest: “Wenn Antisemitismus normal wird”.

Directe aanleiding voor dit artikel vormde de rede die de Palestijnse leider Machmud Abbas eind juni 2016 in  het Europees Parlement in Brussel hield.  Machmud Abbas herhaalde de oude stereotiepe antisemitische leugen van de Joodse bronnenvergiftiger. Dit keer figureerden Israëlische rabbijnen als de kwade geesten die hun regering zouden hebben opgeroepen het water te vergiftigen om “Palestijnen te doden”.

Als aanwezig lid van het Europees Parlement was en ben ik nog steeds verbijsterd over het feit dat Machmud Abbas na zijn rede een staande ovatie kreeg. En EP-voorzitter Martin Schulz noemde de schandrede van Machmud Abbas zelfs nog “inspirerend”.

Wat is er “inspirerend” aan het verspreiden van klassieke Jodenhaat, nu toegepast op de Joodse Staat Israël, zo vraagt prof. Schwarz-Friesel zich volkomen terecht af. Hoe kan dat onverholen en zonder gevolgen openlijk gebeuren? Omdat, zo concludeert de Duitse wetenschapper, antisemitisch gedachtegoed in onze Europese samenleving weer ‘normaal’, weer ‘acceptabel’  is.

Zij eindigt haar bijdrage met een vraag die ons allen, en zeker christenen, direct aangaat: “Wer wird später sagen können oder behaupten wollen, man habe davon nichts gewusst?”

Dat brengt mij meteen bij mijn dagelijkse politieke verantwoordelijkheid: de bestrijding van antisemitisme op Europees niveau. Daarvoor is een doorlopende peiling van gebeurtenissen en gevoelens in de Joodse gemeenschappen in ons werelddeel een absolute voorwaarde. Zo ontmoette ik gistermiddag nog in Brussel een grote groep Joodse studenten uit alle Europese windstreken. Zo spreek ik regelmatig met rabbijnen in Brussel over hun wederwaardigheden. Hun verhalen, op mijn uitdrukkelijke verzoek, bevestigen de nieuwe ‘normaliteit’ van antisemitisme in Europa.

Hoe diep dat Joodse tijdgenoten kan raken, gaf die aangrijpende mail aan van een anonieme Duitse rabbijn aan de redactie van het weekblad  “Die Zeit”.  De rabbijn was gevraagd om te reageren op de toenemende bedreigingen aan het adres van de Joodse gemeenschappen in Duitsland.

De rabbijn wees het verzoek van de hand. Zijn hartstochtelijke verontschuldiging daarvoor en snijdende zelfkritiek confronteert ons met de ernst van de heersende ‘normaliteit’ van antisemitisme.

Vrees, angst weerhield deze anonieme rabbijn ervan persoonlijk stelling te nemen tegen de hem omringende Jodenhaat. De achtergrond? Ernstige dreigementen aan het adres van zijn familie: “Wir wissen, wo Ihre Tochter zur Schule geht…”  Met als gevolg dat zijn dochter naar een andere school moest, waar niemand weet heeft van haar Joodse identiteit.

Indringend geeft de rabbijn zijn maatschappelijke situatie aan: “Am liebsten würde ich das alles herausschreien – aber das würde die Bedrohung ja gerade erhöhen, statt sie zu mindern. Öffentlichkeit schützt hier nicht – im Gegenteil.”

Wie zou deze rabbijn uit het Roergebied zijn anonimiteit ook maar kwalijk willen nemen? Hij beticht zichzelf notabene van “lafheid”, “karakterloosheid” omwille van het enige kind van hem en zijn echtgenote…  Zijn roerende mail raakt en activeert mij als christen-politicus. “Blijf uw mond tegen het antisemitisme opendoen”, moedigde gistermiddag een Joodse studente nog eens aan.

Wie dat in ons land zeker en met verve doet, is de hoofdredacteur van het Nieuw Israëlitisch Weekblad, Esther Voet.

In het laatste nummer (3 februari 2017) van haar blad schreef Esther Voet een “open brief” aan Jacques Grishaver van het Nederlands Auschwitz Comité.  In haar brief kritiseerde zij op scherpe wijze de speech die Grishaver zeer recent hield bij de landelijke Holocaustherdenking in Amsterdam.

Citaat: “Want laten we eerlijk zijn, Jacques, het is niet het rechts-extremisme waardoor er anno 2017 zwaarbewapende marechaussee voor onze Joodse scholen staat. Het is niet vanwege voetbalhooligans dat Joodse instellingen moeten worden bewaakt. Dat weet jij, dat weet ik. Dodelijk antisemitisme anno 2017 komt vanuit islamitische hoek.

Deze constatering van Esther Voet –Dodelijk antisemitisme anno 2017 komt vanuit islamitische hoek- vinden we terug in de publicaties van serieuze, solide wetenschappers als wijlen prof. Robert Wistrich en prof. Bassam Tibi.

Uit het onderzoek van Wistrich blijkt dat islamisten (moslimfundamentalisten) er nooit een geheim van hebben gemaakt dat de religieuze dimensie van het conflict tussen moslims en Joden een centrale plaats inneemt. Met een beroep op hun profeet Mohammed spreken islamisten niet van een oorlog tussen Palestijnen en Zionisten (Israëli’s) of tussen Arabische staten en Israël, maar strikt van een oorlog tussen moslims en Joden waarbij geen compromis mogelijk is.

Inderdaad, geen compromis, conform de hadith ofwel uitspraak van Mohammed: “De Dag des Oordeels zal niet komen totdat de moslims de Joden bestrijden en de Joden zich achter stenen en bomen zullen verschuilen. De stenen en bomen zullen tegen de moslims zeggen: er is een Jood achter mij, kom en dood hem.”

Deze zienswijze ontlaadde zich zomer 2014 tijdens pro-Palestijnse massabetogingen in ware belegeringen en brandbomaanslagen op verscheidene synagoges in het centrum van Parijs en haar voorsteden. Daarbij klonken leuzen als “Hitler had gelijk”, “Slacht de Joden af” en “Dood aan de Joden”.

De constante demonisering van het Joodse volk en de Joodse staat in de Arabische politieke en vooral niet te vergeten theologische discours, inclusief de permanente Palestijnse hetze, miste haar uitwerking niet op de inmiddels meer dan 30 miljoen moslimimmigranten die Europa tegenwoordig telt.

Wistrich wijst ook op de immense invloed van de prominente islamistische prediker Sheikh Yusuf al-Qaradawi via zijn wekelijkse televisieprogramma op Al-Jazeera.  Dit vooraanstaande lid van de islamitische schriftgeleerden heeft altijd opgeroepen tot de volledige uitroeiing van de Joden. Zo bad hij openlijk: “O, Allah, tel hun aantal en dood ze, tot op de allerlaatste toe.”

Tijdens de eerste Gaza-oorlog tussen Israël en de Palestijnse terreurbeweging Hamas, op 28 januari 2009, verklaarde al-Qaradawi: “Door heel de geschiedenis heen heeft Allah mensen opgelegd aan de Joden die hen moesten straffen voor hun verdorvenheid… De laatste bestraffing werd voltrokken door Hitler. Bij alles wat Hitler deed met de Joden –hoewel dat zelfs wordt overdreven- slaagde hij erin ze op hun plaats/nummer te zetten. Dit was een goddelijke bestraffing voor hen… Als Allah het wil, gebeurt dat de volgende keer door de handen van de gelovigen.”

Als het gaat om islami(s)tisch antisemitisme is professor Bassam Tibi uit de Duitse universiteitsstad Göttingen zowel ervaringsdeskundige als wetenschappelijk expert.

Bassam Tibi is in Syrië, de hoofdstad Damascus, geboren en woont al 54 jaar in Duitsland. Over zijn jeugd vertelt Tibi in een recent interview: “Op school hoorde ik elke dag dat de Joden samenzweerders waren, vijanden van de Arabieren. Dat was de achtergrondmuziek van mijn kinderjaren.”

Naar zijn eigen woorden kwam professor Tibi als een Jodenhater naar Duitsland. Waarop hij de geladen zin laat volgen: “De meeste Syriërs zijn antisemieten.” Vanwege deze anti-Joodse Arabische cultuur.

Twee Joodse leermeesters in Duitsland hielpen Tibi van zijn antisemitische instelling af. Hij reisde naar Israël en erkende openlijk het recht van het Joodse volk op een eigen staat. “In Syrië gold ik daarom als een landverrader”, vertelt hij.

Door zijn Syrische achtergrond valt het Bassam Tibi makkelijk om gesprekken aan te gaan met Syrische vluchtelingen in Duitsland. Zo hoort hij veel meer dan de Duitse autoriteiten. En niet zij zijn het voorwerp van kritiek van ontstemde of ontgoochelde vluchtelingen. Nee, “Die Juden sind schuld.” Omdat bijvoorbeeld de asielprocedure zo lang voortsleept of omdat het stadsbestuur weigert een auto te kopen voor een erkende asielzoeker… Kortom: “Göttingen wordt zoals Duitsland door Joden geregeerd die tegen de islam zijn.”

Op 22 september 2016 publiceerde Bassam Tibi een artikel in de Zwitserse pers onder de titel “Zugewanderter Judenhass” ofwel “Binnengekomen Jodenhaat”.  Op basis van jarenlang wetenschappelijk onderzoek in de VS stelt Tibi dat “het gevaarlijkste antisemitisme dat vandaag gedijt uit de wereld van de islam komt.” En, zo gaat hij verder: “Deze Jodenhaat komt vooral met de islamitische vluchtelingen als een grote last naar Europa.”

Deze situatie brengt Bassam Tibi tot twee cruciale vragen aan de Duitse politiek: Geldt de “Willkommenskultur” ook voor dit geïmporteerde islamitisch antisemitisme?/Geldt de Duitse verzekering van “Nie wieder” (Nooit weer) tegenover het nazi-verleden evenzeer als verplichting voor de moslimbevolking van Duitsland? Let wel, Duitsland telt momenteel zes miljoen moslims.

Veel Duitsers ontwijken Tibi’s heldere vragen. Sterker nog, islamitisch antisemitisme wordt geduld, zelfs gerechtvaardigd uit respect voor de islam en andere culturen… Je reinste huichelarij, oordeelt Bassam Tibi. Ik val hem daarin helemaal bij.

Op nog een actueel thema haakt Bassam Tibi in: “Heutige Deutsche beleidigen deutsche Juden, wenn sie islamistische Flüchtlinge und jüdische Naziopfer dadurch auf die gleiche Stufe setzen. Das ist eine grobe und bösartige “falsche Parallelle”. Die Gleichsetzung von heutigen muslimischen Migranten und jüdischen Naziopfern von damals ist skandalös und muss zurückgewiesen werden.”  Trouw-columnist Ephimenco uitte zich dezer dagen in gelijke zin onder de sprekende kop: Geschiedvervalsing.

Nog één keer terug naar de moedige stellingname van Esther Voet: Dodelijk antisemitisme anno 2017 komt vanuit islamitische hoek. Bedenken wij hierbij dat Joden in de koran ondubbelzinnig “de zonen van apen en zwijnen” heten. Binnen dit religieuze systeem zijn de Joden onherroepelijk vervloekt. Zij zijn de ongelovigen die gebukt gaan onder Allahs toorn, permanent veroordeeld tot “vernedering en armoede”.

Dit islamitisch antisemitisme ondervond een Brusselse rabbijn onlangs nog aan den lijve toen hij publiekelijk door een voorbijganger luidkeels voor “varken” en “hond” werd uitgescholden.

Van Christusbelijders vraagt de strijd tegen de ‘normaliteit’ van antisemitisme in Europa, in Nederland, een rechte rug, gestut door het gebed tot Israëls God. En dat in navolging van Isaäc Da Costa. Want na diens klacht als Jood over vervolging en smart, wijst Da Costa naar Christus, evenzeer de Verlosser van Israël:

Neen, antwoordt het Gods Woord, dat nimmer vergaat,
Niet altijd blijft Isrel der volkeren smaad.
Voor hem bad zijn Koning aan ’t smadelijk kruis.
Haast komt de Verlosser tot Israëls huis.

Ik dank u voor uw aandacht!

Drs. B. Belder, lid Europees Parlement voor SGP, commissie buitenlandse zaken, vice-voorzitter delegatie betrekkingen EU-Israël.


Uitgelicht

augustus 12, 2015

Een artikeltje van Ds. A. Kort uit het Kerkblad van de Oud Ger. Gem. waarin hij toelicht dat de bekering van Israel een nieuwe geestelijke opleving zal meebrengen in de kerk. Hij behandelt de tekst Romeinen 11:15. Titel is: De heerlijke toekomst van Israel.

“Want indien hun verwerping de verzoening is der wereld, wat zal de aanneming wezen, anders dan het leven uit de doden?”

Inleiding

Paulus toont in dit vers dat het merendeel van de Joden verworpen of verstoten wordt om de verachting en verwerping van het Evangelie. Daaruit nam God de gelegenheid de heidenen het Evangelie, wat de bediening der verzoening is (2 Kor. 5:18), te verkondigen (Hand. 13:46-47). De heidenen, die verreweg het meeste deel der wereld bewonen en door de ganse wereld verstrooid zijn, werden daardoor zeer beweldadigd. Er komt echter een tijd dat het oude bondsvolk tot de gemeente van Christus gevoegd wordt, wanneer de Joden met grote menigte zich tot Christus zullen bekeren. Paulus gebruikt daarbij een gangbaar spreekwoord. waarmee te kennen gegeven wordt dat er een zeer grote verandering ten beste zal plaatsvinden, alsof iemand dood zijnde wederom levend werd. Dit geschiedt door de predicatie van het Evangelie, waardoor degenen die dood waren (Ef 2:1), levend gemaakt worden (Joh. 6:68, kantt. Filipp. 2:16).

Israëls bekering verwachtkop

Even stelde Paulus in het voorgaande vers een persoonlijk element aan de orde. Hij gevoelde zich nauw verwant met het volk waarvan hij afstamde. Met nadruk spreekt hij dan over zijn vlees. Maar nu verbergt hij dit persoonlijke weer achter het grote geheel van Gods heilsbedoelingen met Israël. Ongetwijfeld maakt Paulus zich geen illusies. Hij verwacht de bekering van Israël niet vóór de laatste tijden aan het einde der wereld. Dat neemt niet weg dat er steeds wel enigen uit hen behouden kunnen worden. Wanneer echter Israël tot God bekeerd zal zijn. zal de apostel der heidenen de vrucht van zijn arbeid in al zijn schoonheid aanschouwen. Hij ziet met een groot verlangen uit naar de bekering van zijn broedervolk. In dit geval beveelt hij de christenen uit de Joden zijn prediking onder de heidenen aan. Het mocht hen tot een ander inzicht en in de schuld voor God brengen, zodat zij zich tot God bekeren.

Israëls verwerping

Als de apostel van de verwerping der Joden spreekt, is dat een uitdrukking die ons doet schrikken. Veelal wordt dit in verband gebracht met de predestinatieleer, waarbij we aan Gods eeuwig besluit denken, voorafgaande aan de schepping der wereld en de zondeval van de mens. Maar met een blik op de concordantie zien we dat doorgaans het woord verwerping in de Schrift de aanduiding is van een daad tegen hen die zich tegen het leven uit Gods genade verzetten. We kunnen het ook lezen als een daad van Gods kant. Die op een bepaald moment in de geschiedenis Zijn handen aftrekt van een mens of van een volk. Saul was zo’n mens van wie God Zijn handen aftrok, nadat Hij hem eerst (in Zijn ongunst) tot koning verkoren had. In een ander geval verwierp Israël de Heere en werd het daardoor zelf van Hem verworpen (Jer. 6). Jezus Christus wordt door de oudsten en de overpriesters verworpen (Luk. 9:22), waarna zij in Gods oordeel vallen (Matth. 21:42-45). In dit tekstwoord gaat het om een tijdelijke verstoting van Israël in de geschiedenis van deze wereld. Het volk is daarmee terzijde geschoven van het heil dat God aan het mensdom heeft beschikt. Deze verwerping wordt echter gevolgd door haar wederaanneming. Dit is een heuglijk feit.

De verzoening der wereld

De (tijdelijke) verwerping der Joden is de verzoening der wereld. Niet doordat de Joden door hun ongeloof Jezus gedood hebben, maar doordat het Evangelie, tengevolge van hun ongeloof, tot de heidenen gekomen is. Wanneer de Joden, toen zij vervloekt werden, anderen op deze wijze een zegen gebracht hebben, wat zaI de wereld zich dan verheugen, wanneer zij van God gezegend en aangenomen zal zijn. Hun verwerping is dus ten dienste aan het herstel van de gemeenschap tussen God en de wereld. De Heere heeft de smartelijke zonde van Israël gebruikt voor het volvoeren van Zijn heilsplan. Immers blijft Israël voor God het grote middel in Zijn hand, waardoor Hij de volkenwereld zegent. Eerst door hun ongeloof, en eenmaal door hun geloof. Hun dood was het leven der volken; hun wederopstanding zal de wederopstanding in heerlijkheid zijn van alles wat in de dood ligt.

Het leven uit de doden

Zoals genoemd verstaan velen (onder anderen Origenes. Chrysostomus) onder leven uit de doden het ingaan van de gemeente in de heerlijkheid door de opstanding uit de doden, als eschatologische slotakte. Met anderen (onder anderen Melanchton, Calvijn, Beza) echter denken we liever aan een grote geestelijke opwekking. Een nieuw leven van kennis, christelijke deugd en gelukzaligheid zal zich dan over de aarde verspreiden. Het feest in het vaderlijk huis (Luk. 15:28) zal volgens de uitleggers dan pas volkomen kunnen zijn, als ook de oudste zoon (Israël) mede aan tafel zal zitten. Vanaf Origenes werd er nagedacht over de bekering van de Joden als de laatste akte voor het einde der wereld. Deze werd soms verbonden met de voorstelling van de terugkeer van Israël naar Palestina, wat nu actualiteit is. Verschillende exegeten herinneren ons aan Ezechiël 37, waar de herrijzenis van Israël wordt voorgesteld onder het beeld van de opstanding. Voor Calvijn is het een genadeweldaad, waardoor wij uit het rijk van de dood overgebracht worden in het rijk van het leven. Wonderlijk acht hij hoe God het leven uit de dood en het licht uit de duisternis heeft voortgebracht. Zo is het ook met de te wensen hoop, dat de wederopstanding van het volk, dat als het ware uitgestorven was, de heidenen zou levend maken.
(Ds. A. Kort, Kerkblad der Oud Gereformeerde Gemeenten in Nederland, 11 Mei 2015. Pagina 86. Met toestemming overgenomen.)


Toekomst visie van ds. Ledeboer

december 10, 2014

Ds. L.G.C. Ledeboer (1808-1863) beschrijft hoe het eruit gaat zien wanneer de val van de antichrist, van Babylon, zal geschieden. Hij schrijft over een verschrikkelijke tijd die vooraf zal gaan aan een heerlijke kerkstaat. Zijn woorden zijn wel uitgekomen in de 20e eeuw, in het bijzonder aan het eind van de 20e eeuw. Misschien is wel het ergste dat de kerk het zelf niet ziet. Ze denkt dat het nog wel gaat, terwijl ze als dood ligt neergesabeld door het oordeel Gods wat over haar is gekomen.

“Alles wordt bereid tot aanstaande oordelen; de ingewanden onzes binnenste hebben weeën gevoeld over de aanstaande oordelen over Land, Kerk en Staat. De zee zagen wij opkomen, de rivieren naderen, de beken groeien en slechts een uitkomst in het enige schip ter behoudenis; de hoer die op de grote wateren zit, eenzaam, ledig en verlaten; Babel in brand; Gods kinderen verzocht door de satan, in de gedaante van een Engel des lichts, maar bewaakt en bewaard door de Heere.

Haast u, spoedt u om uws levens wil, kreeg ik meermalen; het bloeiende zag ik sterven, het krachtige vergaan. Angsten, weeën en benauwdheden heb ik gevoeld wegens de aanstaande oordelen over allen die Sion gram zijn en zijn volk verstoren, mijn haren zijn te berge gerezen; ontfermingen heb ik af mogen smeken, – ofschoon gesloten voor het land, – zo het mogelijk ware, van de Heere over de spotters en vijanden God en Zijn heilige dienst.

Vele eersten zullen de laatsten, en vele laatsten de eersten zijn; die iets was in zijn oog, zal niets worden; de laatste zoveel ontvangen, als de eerste. Met jongere, die niet alzo schuldig staan aan de verloochening van des Heeren Naam, eer en zaak, zal de Heere Zijn werk beginnen, gelijk Hij begonnen heeft, en voltooien, ten spijt der Tobia’s, Sanballat’ s, Sanheribs, Cajafassen en Judassen.

De Herder is geslagen, de schapen der kudde zijn verstrooid, verspreid op de bergen, verscholen in de holen der steenrotsen, vluchtende in de woestijn, zuchtende aan Babels stromen, bewenende Sions staat, Jozefs verbreking en Sions breuk.

Hoogten worden geslecht, dalen gevuld voor den aanstaande dag des Heeren, Jesaja 40, Joël 2, Marcus 3, Psalm 68, Matthéüs 3. De Heere doet de stormen ontstaan, de aardbevingen bereidt Hij, het zwaard wordt geslepen, de honger en pestilentie staan gereed, wachtende op het bevel des Heeren; het zwaard des Engels is uitgetogen, rokende met een wijde mond, zich omkerende en zettende zich tegen ons land; de koningen beraadslagen, de wegen worden gebaand, de maat overlopende, de zonden aanwassende, de ongerechtigheden groeiende, Jesaja 59.” (Ledeboer, Een spiegel dezes tijds ter beproeving der kinderen Gods, Fa. B. de Kler, 1904, blz. 28)

Ds. Ledeboer verwachtte een “heerlijke kerkstaat” na de val van de antichrist. Hij schrijft er o.a. over:

“Zulke dagen gaan wij tegemoet, en dan zal Koning Jezus heersen als in het midden Zijner vijanden, en Zijn volk voor een tijd meer rust genieten, tot de laatste krijg, als namelijk de Heere komen zal met Zijn vele duizenden engelen. Het is geen bijzondere voorstelling of gedachte, o neen! Lees er vader Brakel maar op na en alle, of ten minste de meeste onzer Godzalige schrijvers, die van de zaken handelen. De zaak is dan ook zo eenvoudig, duidelijk, helder en klaar, dat men geen profeet of profetenzoon behoeft te wezen, om dat te voorspellen, maar is met klare ogen duidelijk te zien, als een schip dat nadert van verre op de zee met zijn masten en zeilen.” (Ledeboer, Een spiegel dezes tijds ter beproeving der kinderen Gods, Fa. B. de Kler, 1904, blz.57)


Record aantal kinderen in een vlucht naar Israel

juli 27, 2013

United with Israel meldt ons dat er maandag 22 juli 106 kinderen zaten in vlucht van El-Al van Noord Amerika naar Israel. Dit was een bijzondere vlucht waarbij de organisatie Nefesh be-Nefesh speciaal voor de kinderen vermaak had georganiseerd op het vliegveld en in het vliegtuig. Ze maken deel uit van een groep van 2500 Noord Amerikaanse imigranten die naar Israel komen deze zomer.nefesh-bnefesh

Het moedigt aan te zien dat de profetieen vervuld worden, letterlijk, zoals Jesaja zegt: “Want de eilanden zullen Mij verwachten, en de schepen van Tarsis als eerste, om uw kinderen van verre te brengen, hun zilver en hun goud met hen, tot de Naam van de HEERE uw God, en tot de Heilige Israëls, omdat Hij u heerlijk gemaakt heeft.” (Jes.60:9)

Deze profetie heeft een veel bredere strekking. Wat mij opvalt is dat in de profetieen van Jesaja de heidenen (niet-Joden) zo’n belangrijke rol krijgen. Ten eerste wijst Paulus er al op in Rom.10 dat in Jes.65:10 gesproken wordt over deze heidenen die een bijzondere rol en roeping krijgen. “Ik ben gevonden door hen, die Mij niet zochten; Ik ben openbaar geworden aan hen, die naar Mij niet vroegen.” Namelijk dat heidenen voorgaan op de bekering van het “gehele” Joodse volk. Ten tweede is in Jesaja een bijzondere rol te vinden voor de heidenen, die namelijk de Joden gaan helpen. (Jes.11:10-12; 49:22-23; 60:6-9; 66:18-20) Zij brengen “eerstelingen” tot bekering, in die zin, dat de Joden aansluiting vinden bij de kerk. En zij bouwen de wereld op in voorbereiding van het komende Messiaanse rijk op aarde. Want het Joodse volk (met de bekeerde heidenen) zullen de aarde beerven. “Want God zal Sion verlossen, en de steden van Juda bouwen; en aldaar zullen zij wonen, en haar erfelijk bezitten; En het zaad Zijner knechten zal haar beërven; en de liefhebbers van Zijn Naam zullen daarin wonen.” (Ps.69:36-37)

Al zo’n 2000 jaar worden er voorbereidingen gedaan door de volkeren. Terwijl de oordelen door gaan over het Joodse volk, en trouwens niet minder over de kerk. Totdat het land een welgevallen zal hebben aan haar sabbatten. (Lev.26:34) In onze tijd veranderd het oordeel. De tijd van het herstel van het volk Israel breekt aan. Dat verandert verhoudingen tussen Joden en Christenen. Dat maakt het land Israel. Dat brengt de Joden in hun land. Dat zal uiteindelijk een bekering brengen. En nieuw verbond, een nieuw leven.

J.W.


Het Nieuwe Verbond en de Toekomst van Israel, Prof. dr. Mart-Jan Paul

mei 31, 2013

Hieronder treft u de lezing aan van prof. dr. Mart-Jan Paul, gehouden op de bidstond te Bodegraven, 14 mei 2013. We zijn hem dankbaar dat hij deze geschikt heeft gemaakt voor publicatie op onze site. Vrij te gebruiken, maar voor commerciele doeleinden graag contact opnemen. (PDF-versie)

Bodegraven ‘Comité Herleving Gebed voor Israël’

Het nieuwe verbond en de toekomst van Israël

Prof. dr. Mart-Jan Paul

14 mei 2013

De kathedraal in Straatsburg heeft bij de zuidelijke ingang twee bijzondere beelden staan, uitbeeldingen van het joodse en christelijke geloof. Vrouwe synagoge houdt het hoofd schuin omlaag, en haar ogen zijn bedekt met een blinddoek. cathedral strasbourgIn haar rechterhand houdt ze een driemaal geknakte lans met een nauwelijks zichtbare vlag. In haar linkerhand houdt ze – ondersteboven! – de twee wetstafels, op een manier dat ze bijna uit haar hand vallen.
‘Vrouwe kerk’ daarentegen staat rechtop, met gekroond hoofd. Ze heeft een fiere blik. Met haar rechterhand omklemt ze het kruis waaromheen een fraai vaandel is gedrapeerd, de kruisvaan. In haar linkerhand houdt ze een avondmaalsbeker vast.
Dit is een beeldende illustratie van de verhouding tussen jodendom en christendom zoals die in de middeleeuwen werd gezien. Een ziende kerk en een blinde synagoge. Heeft Paulus zelf niet gezegd dat er een bedekking op de Joden ligt wanneer ze Mozes lezen? (2 Kor. 3:13-15).

In de loop der eeuwen is de overtuiging gegroeid dat de christelijke kerk in plaats van Israël gekomen is. De vervangingstheologie heeft allerlei vormen aangenomen en bepaalde in sterke mate de relatie tussen kerk en synagoge. De vraag rijst of deze vervanging tijdelijk of blijvend is. In de afgelopen eeuwen zijn er heel wat predikanten geweest die zich bezonnen hebben op de toekomst van Israël. Voor in het Engelse puritanisme, in het Duitse piëtisme, in de Nederlandse Nadere Reformatie en in het Reveil zijn prachtige verhandelingen te vinden over de profetieën die gaan over een heilrijke toekomst van het Joodse volk. Daarmee verbonden kwam ook het gebed voor Israël op. Profetieën zijn niet bedoeld om af te wachten wat er gaat gebeuren, maar om daar biddend mee bezig te zijn.
Het Comité heeft een boekje opnieuw uitgegeven, uit 1852, met een twaalftal redevoeringen uitgesproken tijdens de bidstonden voor Israël. Het is goed om in het verlengde daarvan ook vanavond samen te komen voor gebed.
Maar wat mag op het gebed verwacht worden? Is er hoop voor het Joodse volk? Straks wil ik ingaan op de betekenis van het nieuwe verbond in Jeremia 31.

Vroege kerk – Augustinus
Eerst wil ik echter aandacht besteden aan de vroege kerk. Het is bekend dat de vroegchristelijke kerk zich steeds duidelijker gedistantieerd heeft van het Jodendom en zichzelf ging beschouwen als het ware Israël. Dan lijkt het alsof er geen hoop meer is voor het Jodendom. Toch kunnen die twee zaken samengaan. Omdat dit weinig bekend is, wil ik uw aandacht vragen voor Augustinus. In zijn boek De stad van God schrijft hij over de toekomst. Bij de behandeling van Hosea wijst Augustinus op de tekst in 3:5-6 ‘Want de Israëlieten moeten veel dagen zonder koning en zonder vorst blijven, zonder offer en zonder gewijde steen, zonder efod en afgodsbeelden. Daarna zullen de Israëlieten zich bekeren, de Heere, hun God, zoeken en David, hun koning. Zij zullen zich in diep ontzag tot de Heere en Zijn goedheid wenden, in later tijd’. Augustinus betrekt deze tekst op de Israëlieten naar het vlees die nu nog niet in Christus willen geloven. Hosea verzekert dat zij later wel zullen geloven, hetgeen betekent dat hun zonen het zullen doen.[1]

Augustinus wijst ook op het slot van het boek Maleachi, waar gesproken wordt over de komst van Elia. ‘Zie, Ik zend tot u de profeet Elia, voordat de dag van de Heere komt, die grote en ontzagwekkende dag. Hij zal het hart van de vaders tot de kinderen terugbrengen, en het hart van de kinderen tot hun vaders’ (4:5-6a). Augustinus schrijft: ‘Dat door deze Elia, een grote en bewonderenswaardige profeet, op het einde van de tijd, vóór het oordeel, de wet aan de Joden zal worden uitgelegd en dat zij dan in de ware Christus, in onze Christus zullen geloven, is iets waarover onder de gelovigen heel veel wordt gesproken en gedacht.’ …  Als hij [= Elia] dus zal komen en een geestelijke uitleg van de wet zal geven, die nu door de Joden nog vleselijk wordt verstaan, zal hij het hart van de vader keren naar de zoon.’[2]

Opmerkelijk dat Augustinus aangeeft dat over deze zaken door de gelovigen heel veel wordt gesproken en gedacht. Het mag voor ons een aansporing zijn hetzelfde te doen!

Er is nog een derde profetie die van belang is. Augustinus wijst op Zacharia 12, waar staat dat de volken tevergeefs tegen de heilige stad Jeruzalem optrekken en dat de Heere de Geest van genade en van gebeden zal uitstorten (vs. 9-10a). Het gevolg van die geestelijk vernieuwing is ‘Zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben. Zij zullen over Hem rouw bedrijven, als met de rouwklacht over een enig kind; en zij zullen over Hem bitter klagen, zoals men bitter klaagt over een eerstgeborene’ (vs. 10b). De uitleg van Augustinus is: ‘De Joden – ook degenen die een geest van genade en barmhartigheid zullen ontvangen – zullen er namelijk op die dag berouw over hebben dat ze Christus in zijn lijden gehoond hebben.’

Aan het slot van boek 20 vat Augustinus zijn standpunt samen: ‘De dingen die, naar wij geleerd hebben, bij of in verband met dat oordeel zullen gebeuren, zijn de volgende: Elia de Thisbiet zal komen. De Joden zullen geloven. De antichrist zal de Kerk vervolgen. Christus zal komen om recht te spreken. De doden zullen verrijzen.’[3] Bij de vijf zaken die hij opsomt, gaan de komst van Elia en de bekering van Israël voorop.

Hier zien wij duidelijk dat de kerkvader een toekomstige bekering van het Joodse volk verwacht, en dat baseert op oudtestamentische profetieën. Elders betrekt hij ook Romeinen 9-11 hierbij.

Andere stemmen uit de vroege kerk
Wat ik vanavond wil onderstrepen, is de uitspraak dat dat over deze zaken door de gelovigen heel veel wordt gesproken en gedacht. Wie zijn dat dan in deze eerste eeuwen?

Uit de tweede eeuw noem ik Justinus Martyr: ‘En wat het volk van de Joden zal zeggen en doen, wanneer zij Hem zien komen in glorie, is voorzegd door Zacharia de profeet. (…) Stam bij stam zullen zij rouw bedrijven en dan zullen zij zien op Hem die zij doorstoken hebben.’[4]

De apologeet Tertullianus wijst rond het jaar 200 ook op de toekomstige zegening en zaligheid van Israël. Hij roept de christenen op om zich te verheugen over het komende herstel van Israël, want onze hoop is nauw verbonden met de blijvende verwachting van Israël.[5]

Origenes, de grote man van de allegorische verklaring van de Schrift, schrijft in de derde eeuw over de twee roepingen van Israël. Tussen deze twee roepingen in staat Gods roeping van de kerk. Dat wil zeggen: eerst was Israël geroepen, maar daarna, toen Israël struikelde en viel, werd de kerk van de heidenen geroepen. Maar wanneer de volheid van de heidenen ingegaan is, dan zal heel Israël, dat opnieuw geroepen is, zalig worden.[6]

Chrysostomus neemt ook aan de komst van Elia de bekering van de Joden inluidt. Hij wijst op Rom. 11:27, waar staat ‘En dit is het verbond van Mij met hen, wanneer Ik hun zonden zal wegnemen’. De kerkvader zegt dat aan Israël dit beloofd is, maar nog niet gerealiseerd is. Daarom zal het in de toekomst nog gebeuren.[7]

Aan de genoemde namen kunnen nog andere toegevoegd worden, zoals: Hilarius van Poitiers, Ambrosius, Hiëronymus en Cyrillus van Alexandrië.[8] Inderdaad, Augustinus is bepaald niet de enige met deze verwachting. De eeuwen daarna blijven deze geschriften invloed uitoefenen. Enerzijds is er de vervangingstheologie, anderzijds de verwachting dat eens Israël weer de bevoorrechte plaats van de kerk zal innemen. De heilsprofetieën van het Oude Testament laten dat zien.

Het nieuwe verbond[9]
Toch zijn er heel wat christenen die zich afvragen of dit wel kan. Is het huidige Joodse volk nog steeds drager van de beloften aan Abraham? Of is er door het nieuwe verbond, aangekondigd in Jer. 31-33 en verwerkelijkt door Jezus Christus, een andere relatie is gekomen? Allerlei christenen menen dat de beloften overgegaan zijn op de christelijke gemeente, al wijzen sommigen de term ‘vervangingstheologie’ af. Zij bedoelen dat het heil nu voor Israël én de volken is, die samen als gelovigen een nieuwe realiteit vormen. De term is dan inclusief bedoeld (als een soort groeimodel) en niet in de zin dat de kerk Israël vervangen heeft. Niettemin is met deze opvatting het adres van de beloften wel verlegd. De aanduiding ‘Sion’ heeft dan betrekking op het nieuwe lichaam van gelovigen, de gemeente, en niet meer op een geografische werkelijkheid in het land Israël.

Dit wordt vaak verdedigd met een beroep op het nieuwe verbond. Immers het oude is afgeschaft en vervangen door het nieuwe (2 Kor. 3; Heb. 8). Daarom vraag ik vanavond speciaal aandacht voor het nieuwe verbond. In Jeremia 31:31 staat: ‘Zie, er komen dagen, spreekt de Heere, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten’. Het is opvallend dat het nieuwe verbond zowel Juda als Israël betreft, dus het Twee- en het Tienstammenrijk. En andere volken worden hier niet genoemd.
Vers 32 maakt duidelijk dat hetzelfde Israël dat het verbond verbroken heeft, ook een nieuw verbond zal ontvangen. Het is het volk dat uit Egypte geleid is. Dat volk heeft het verbond, het trouwverbond, verbroken. Is de relatie nu beëindigd? Dat zou kunnen, maar dat blijkt niet het geval te zijn, omdat er een ander verbond komt.
In het slot van dit hoofdstuk staat: ‘Zo zegt de Heere, Die de zon tot een licht geeft overdag, en de vaste orde van maan en de sterren tot een licht in de nacht, Die de zee opzweept, zodat haar golven bruisen, Heere van de legermachten is Zijn Naam. Als deze verordeningen ooit zouden wijken van voor Mijn aangezicht, spreekt de Heere, dan zou ook het nageslacht van Israël ophouden een volk voor Mijn aangezicht te zijn, alle dagen!’ (31:35-36).
Opmerkelijke woorden: zolang de zon, maan en sterren schijnen, zo lang blijft Israël Gods volk.
Aan het eind van hoofdstuk 33 worden soortgelijke woorden gebruikt. Dus juist in de samenhang met uitspraken over een nieuw verbond staan beloften dat Israël blijvend Gods eigendom is, in ieder geval zolang de hemellichamen functioneren.
Wij kunnen het ongeloof van Israël en de verwerping van de Messias zwaar aanrekenen, maar blijkbaar wordt de band toch niet geheel verbroken. Zolang de kosmos functioneert, zo lang is God getrouw. Zeker, het oude verbond is verbroken, maar daarvoor komt een nieuw verbond.

Wat is de inhoud van het nieuwe verbond? Het antwoord is ‘Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. Dan zullen zij niet meer eenieder zijn naaste en eenieder zijn broeder onderwijzen door te zeggen: Ken de Heere, want zij zullen Mij allen kennen, vanaf hun kleinste tot hun grootste toe’ (31:33-34).

Het kenmerkende van het nieuwe verbond is, dat de Israëlieten God van harte zullen lief hebben. De wet van God is dan niet langer een zware verplichting die van buiten komt, en die te zwaar is om te dragen, want er komt een innerlijke bereidheid God te dienen. Mensen hoeven elkaar niet meer aan te sporen de God van Israël te leren kennen, want zij allen kennen Hem.

Het Sinaïtisch verbond was te ‘moeilijk’ voor het volk, omdat vaak de innerlijke bereidheid ontbrak en de zondige mens zo’n wet niet kon houden. Nu zwakt God zijn eisen niet af door een veel gemakkelijker wet te geven, maar Hij gaat de mens innerlijk veranderen, zodat die van binnenuit verlangt Hem te dienen. Dát is de grote verandering. Er blijft heel veel hetzelfde: het is dezelfde God en hetzelfde volk. De eisen worden ook niet minder. Het nieuwe is de verandering in het hart van de mens. Er zijn nog meer nieuwe aspecten aan dit verbond, zodat dit verbond terecht ‘nieuw’ genoemd kan worden, maar vanuit de grote continuïteit is het wellicht beter het woord ‘vernieuwd’ te gebruiken. Het is geen compleet nieuw en ander verbond, het is vernieuwd. Om een voorbeeld te gebruiken: een nieuwe maan is ook geen andere maan, maar een maan die opnieuw te voorschijn komt. In de profetieën van Jeremia over het nieuwe verbond blijkt overigens dat de verbonden met Abraham en David niet herroepen zijn, maar meegenomen worden in de nieuwe situatie (33:15-26).

Tot de reikwijdte van het nieuwe verbond hoort dat Israël en Jeruzalem worden in luister hersteld worden (vs. 23-25, 27, 38-40). In vers 36 staat de belofte dat het nageslacht van Israël niet zal ophouden een natie te zijn voor Gods ogen. En in 33:24 wordt het volk ten onrechte veracht alsof het geen natie meer is.
Hoewel de meeste Bijbelvertalingen dit verschil niet maken, is het van belang onderscheid te maken tussen de termen ‘volk’ en ‘natie’.[10] Dit wijst niet slechts in de richting van een geestelijke vernieuwing, maar ook naar de bijbehorende concrete levenswerkelijkheid.

Omdat Jeremia te maken had met de verbreking van het oude verbond en de daaruit voortvloeiende verwoesting van Jeruzalem en de tempel, was er geen andere mogelijkheid dan een vernieuwd verbond.

Het is opmerkelijk dat Jeremia nooit nieuwe gehoorzaamheid aan de wet aanbeveelt als weg tot herstel. Een dergelijke gehoorzaamheid zou wel goed zijn, maar de profeet wijst op de ontrouw in het ontaarde menselijke hart. De zonde staat geschreven met een stift van ijzer en een punt van diamant in de schrijftafel van het hart (17:1). Verderop zegt de profeet dat het mensenhart arglistig is (vs. 9). Hieruit blijkt dat een mens zichzelf in eigen kracht niet kan verlossen. In zekere zin hield de Thora daar al rekening mee, door de mogelijkheid van verzoening door de offerdienst te bieden, maar in de tijd van Jeremia is er nauwelijks of geen echte bekering en toewending tot God. In deze hopeloze situatie toont de profeet een andere weg van verlossing, niet meer gebaseerd op het verbond aan de Sinai, maar een nieuw verbond. Het heil komt van Gods kant, omdat van de kant van het volk geen bekering meer te verwachten is.

God herstelt zijn verbond doordat Hij Israëls zonden vergeeft en zijn wetten in de harten van de Israëlieten schrijft, zodat zij allen de Here persoonlijk zullen kennen. Dit nieuwe verbond draagt een uniek karakter. Men hoeft elkaar niet meer aan te sporen, want iedereen heeft de innerlijke motivatie om God te eren. Op de Israëlieten rust ook geen schuld meer en daarom zijn ze bevrijd van elke vloek.

In het nieuwe verbond schept God de voorwaarden voor de vervulling van die beloften, omdat Hij het hart van de Israëlieten neigt tot gehoorzaamheid. Door het besnijden en het veranderen van het hart gaan de Israëlieten zich aan de Thora houden en zo zullen zij de verbondszegeningen ontvangen. Dit is Gods antwoord op het zondige karakter van het menselijk hart.

Het Nieuwe Testament
Wanneer Christus het Avondmaal instelt, neemt Hij de beker op en zegt: ‘Deze drinkbeker is het nieuwe verbond in Mijn bloed’ (Luk. 22:20). Hiermee geeft Hij aan dat het door Jeremia voorzegde nieuwe verbond ingaat. We kunnen ook zeggen: het verbond gaat in bij de kruisiging van Christus, wanneer Hij Borg wordt van een beter verbond (Heb. 7:22,27). Het feit dat het Avondmaal juist tijdens het Pesachfeest plaatsvindt, toont ook dat hiermee het verbond aan de Sinai wordt vervuld. Jezus kwam immers niet om de wet en de profeten af te schaffen, maar om ze te vervullen, waarmee wordt bedoeld dat ze op een hoger plan worden gebracht en worden opgenomen in Zijn messiaanse rijk (Mat. 5:17). Het feit dat Hij na de instelling van het Avondmaal (dat een Pesachmaal was) zijn leven geeft, houdt in dat Hij het Paaslam was (vgl. 1 Kor. 5:7). Hij geeft de beker van het verbond aan de discipelen, waarbij het twaalftal symbool staat voor de twaalf stammen van Israël. Het nieuwe verbond begint in Jeruzalem en betreft in eerste instantie de Joodse discipelen.

Dat met de instelling van het Avondmaal nog niet de volledige vervulling van het nieuwe verbond aanbreekt, blijkt ook uit de verwijzing dat deze maaltijd gehouden wordt ‘totdat Hij komt’ (1 Kor. 11:26), namelijk totdat het koninkrijk van God en het nieuwe verbond volledig gerealiseerd zullen worden.

De meerwaarde van het nieuwe verbond komt ook aan de orde in Heb. 8-10. Onder het oude verbond moest een priester steeds weer het aardse heiligdom binnengaan om daar offers te brengen. In het nieuwe verbond gaat Jezus, de hemelse hogepriester, het hemelse heiligdom binnen. Hij heeft eens voor altijd het offer van zijn leven gebracht tot vergeving van zonden van allen die in Hem geloven.

Het is van belang dat ook in de nieuwtestamentische teksten het nieuwe verbond de opvolger is van het verbond aan de Sinai. Het verbond met Abraham is niet vervangen en blijft nog steeds gelden. Er blijft een band tussen God en het volk dat de gekomen Messias afwijst. De genadegaven en de roeping van God zijn onberouwelijk (Rom.11:29). Dit is in overeenstemming met de belofte in Jeremia dat het volk Israël altijd, zo lang de zon en de maan er zijn, een volk voor Gods aangezicht zal zijn

Gelovigen uit de Joden en de heidenen
De andere volken komen bij Jeremia niet ter sprake in de context van het nieuwe verbond. Hoe is het dan mogelijk dat ook anderen delen in de zegen voor Israël?

Zoals boven al naar voren kwam, blijft het verbond met Abraham intact. Van de aanvang af is het de bedoeling geweest dat de volken in Abraham gezegend zouden worden (Gen.12:3). Bij de profeet Jesaja staan duidelijke aanwijzingen dat er een nieuwe bedeling komt waarin gelovigen uit de volken mogen meedoen. Het blijkt daar ook dat de Knecht van de Heere een tweevoudige taak heeft: Hij is tot een verbond voor het volk Israël en tot een licht voor de volken gesteld (Jes. 42:6; 49:6-8). Later zegt Simeon dat het Kind in zijn armen is tot ‘een licht om de volken te verlichten en om uw volk Israël te verheerlijken’ (Luk. 2:32). Ook hier blijkt de dubbele opdracht voor de Messias. Wanneer Hij de komst van het nieuwe verbond realiseert, is het daarom mogelijk dat niet slechts Israël de zegeningen ervan ontvangt, maar dat ook de volken daarin delen.

Overigens spreekt Jeremia er op andere plaatsen wel over dat volken Gods heil ervaren. In Jer. 30-33 komt de kern naar voren, maar blijkbaar zijn er meer aspecten van het nieuwe verbond.

Paulus schrijft dat de christenen in Klein-Azië door Christus dicht bij God en zijn volk zijn gekomen. De muur die eens scheiding maakte tussen Joden en heidenen, is afgebroken. Hierdoor zijn de gelovigen uit de volken medeburgers van de heiligen en huisgenoten Gods geworden (Ef. 2:13-14,19). Daarom is het problematisch om de kerk en het volk Israël al te scherp te onderscheiden en tegen elkaar uit te spelen. De gelovigen uit de heidenen zijn immers mede opgenomen in het nieuwe verbond

Vervulling in fasen
Jeremia spreekt over veel concrete zaken die in de periode daarna, ook in de tijd van het NT en de latere geschiedenis van Israël en de christelijke gemeente, nog niet gerealiseerd zijn. De algehele vernieuwing en toewijding aan God zijn nog niet verwerkelijkt, ook niet na de uitstorting van de Geest (Hand. 2). We missen nu nog steeds de volmaaktheid en de volledige verbondszegen.

De heilsbeloften worden niet allemaal in het huidige voorlopige Koninkrijk gerealiseerd. Paulus had veel verdriet over de verwerping van de Messias door zijn eigen volk. Hij ziet uit naar de toekomst wanneer na de verwerping de aanneming komt (Rom. 11:15). Eens zal gans Israël zalig worden (11:26). Dan zullen ook de beloften van Jeremia verder in vervulling gaan.

Kerkgeschiedenis
In de vroege kerk leefde sterk het besef van de beloften voor het Joodse volk. Dat gold in het bijzonder ook de moedergemeente in Jeruzalem. De Joodse christenen bleven vasthouden aan hun Joodse wortels en ook aan de besnijdenis. Eusebius noemt de eerste vijftien leiders van de christelijke gemeente te Jeruzalem, van de tijd van Jakobus tot aan de opstand van Bar Kochba (132-135). Deze leiders of bisschoppen waren allen ‘van de besnijdenis’.[11] Blijkbaar bleef de besnijdenis als teken van het verbond met Abraham voor hen betekenis houden, ook in de periode dat het nieuwe verbond aangevangen was.

De Romeinen hebben Jeruzalem ingenomen in het jaar 70. In hun woede en grote wreedheid hebben zij toen duizenden Joden gekruisigd. In de tijd van Bar Kochba, in 135 na Chr., is er nog een keer een opstand geweest, maar ook die is bloedig neergeslagen. Toen kwam een nog strengere maatregel: geen Jood mocht meer blijven wonen in Jeruzalem en de stad kreeg een andere naam. Slechts eenmaal per jaar, op de herdenkingsdag van de verwoesting van de stad, mocht een groep rouwklagende Joden tegen betaling de stad doortrek­ken. Dat is eeuwenlang zo gebleven. Twee voorbeelden:

In de 13e eeuw schrijft de joodse geleerde Nachmanides: ‘Wat zal ik van dit land zeggen?… Des te heiliger de plaats, des te groter de verlatenheid. Jeruzalem is wel het meest verla­ten… Er zijn ongeveer 2000 inwoners…, maar er zijn geen Joden (…). Er zijn nu slechts twee broers, stoffenververs. In hun woning komt op de sabbat een aantal aanbidders samen. Regelmatig komen er nu mensen, zowel mannen als vrouwen uit Damascus en Aleppo en uit alle delen van het land naar Jeruzalem, om de tempel te zien en over haar te wenen. En moge Hij, die ons waardig acht het geruïneerde Jeruzalem te aanschouwen, ons genadig zijn om haar herbouwd en hersteld te zien, en ook om de eer van de godde­lijke tegenwoordigheid te zien terugkeren.’ [12]

Vanaf de 19e eeuw komt hierin verandering. Joden van heel de wereld keren terug naar het land van hun verre voorvaderen. Is dit vervulling van de profetie? Het zijn tekenen dat God Zijn oude verbondsvolk niet loslaat. Toch is deze terugkeer en de stichting van de staat Israël nog niet gelijk aan de volledige vervulling van de profetieën. Er is nog zoveel meer beloofd, vooral de geestelijke vernieuwing.

Ten slotte
Vanavond zijn wij samen gekomen in een bidstond. We bidden dat de Heere Zijn beloften nog verder vervult. En dan? Sommige christenen uit de volken menen dat het heil dan volledig naar Israël gaat, terwijl de periode van de volken voorbij is. Dat lijkt mij onwaarschijnlijk. De profetieën in het Oude Testament wijzen erop dat Israël tot zegen is voor de andere volken. Ik sluit mij aan bij Isaac da Costa die in de 19e eeuw zei: ‘de belofte aan Israel is de blijvende grond van de aanneming der heidenen. Israel blijft de wortel; de gemeenten uit de volken zijn niet anders dan takken, op dien wortel geënt. Al de beloften zijn geschied aan Israel, en al de gemeenten zijn gezien en begrepen in Israel. Het ingaan van de volheid der heidenen, en de terugkeer van Israel met den wederopbouw der verwoeste steden worden daarom gedurig naast elkander geplaatst. Als Israel bekeerd wordt, zal de geheele wereld overstort worden met het licht des Evangelies. Ja, in de belofte aan Israel zijn al de beloften aan de volken begrepen. Israel behoudt dus het erfrecht, en dat niet ten nadeele maar ten voordeele der volken.’[13]

In het NT wordt duidelijk dat het heil naar de volken gaat. Ook zij mogen delen in Gods zegeningen door Jezus Christus (Mat. 28:19). Paulus werkt dit uit in Efeze 2:12-18. De gelovigen uit de heidenen waren vroeger uitgesloten van het burgerschap van Israël en vreemd aan de verbonden van de belofte. Door het bloed van Christus is die situatie gewijzigd en is er nu voor de gelovigen uit de Joden en uit de heidenen toegang tot de Vader. Zij die eerst vreemdelingen waren en bijwoners zijn nu medeburgers van de heiligen en huisgenoten Gods geworden. Het woordje ‘mede’ keert terug in de uitdrukkingen ‘mede-erfgenamen, medeleden en medegenoten van de belofte in Christus Jezus’ (Ef. 3:6). Dergelijke uitdrukkingen geven aan dat er geen vervanging is, maar een delen in de voorrechten.

De apostel Petrus verklaart dat het profetische woord zeer vast is en dat wij goed doen daarop acht te slaan als op een licht, schijnende in een duistere plaats. Het is immers de Heilige Geest die gemaakt heeft dat mensen deze woorden spraken (2 Pet. 1:19). Daarom is het belangrijk het profetische woord na te gaan. Dat geeft richting in ons leven en uitzicht in een verwarrende tijd. De oude woorden Gods, waarvan een deel reeds in vervulling gegaan is, geven hoop voor de toekomst. Het laatste woord is niet aan de machten van het kwaad, maar aan God. Hij zal deze aarde vernieuwen en laten beantwoorden aan zijn grote doel.

Het boek Jeremia houdt de christelijke kerk een spiegel voor. Het bepaalt bij de ernst van de hartsgesteldheid van de natuurlijke mens en tevens bij de noodzaak van bekering. De troost is dat de Heere Zelf Zijn vernieuwende werk zal doen. Tevens bepaalt de belofte van het nieuwe verbond bij de blijvende beloften aan Zijn oude verbondsvolk Israël. Op grond daarvan behoren de tekenen van vervulling in Israël erkend te worden, maar moet ook beseft worden dat in de huidige situatie in het Midden-Oosten allerlei aspecten van het nieuwe verbond nog onvervuld zijn. Des te meer redenen voor de christelijke gemeente om met Israël te bidden om de komst van het Koninkrijk.


[1] De stad van God 18:28.

[2] 20:29.

[3] 20:30.

[4] Eerste apologie 52.

[5] Tegen Marcion 5.9.

[6] Hooglied 26:252.

[7] Het Evangelie van Mattheüs 57; De brief aan de Romeinen, 19.

[8] Voor nog meer voorbeelden, zie M.J. Paul, G. v.d. Brink, J.C. Bette (red.), Bijbelcommentaar Hooglied – Jesaja, Studiebijbel OT, deel 9 (2012), Excurs 3, ‘De uitleg van de profetieën over de toekomst van Israël’, 854-869. Het is de bedoeling dat in deel 11, Bijbelcommentaar Ezechiël – Daniël, de bovenstaande informatie over de vroege kerk uitgewerkt wordt. Verwachte verschijningsdatum: voorjaar 2014. Vgl. www.studiebijbel.nl.

[9] Zie Bijbelcommentaar Jeremia – Klaagliederen, SBOT, deel 10 (2013), Excurs 1, ‘Het nieuwe verbond en de andere verbonden met Israël’, 833-848.

[10] In het Hebreeuws wordt de term ‘am ‘volk’ vooral gebruikt voor de relaties en eenheid van een volk, en ook voor de relatie van het volk Israël met God. De term goy ‘natie’ duidt meer op een politieke, etnische en geografische groep en wordt vooral voor de andere volken (naties) gebruikt.

[11] Eusebius, Kerkgeschiedenis 4.5.

[12] Lance Lambert, Israel is uniek, 115.

[13] Da Costa, Bijbellezingen, 330, bij uitleg Jes. 40.

__________________
Dr. M.J. (Mart-Jan) Paul
Senior docent Oude Testament – CHE te Ede (www.che.nl)
Hoogleraar OT – ETF te Leuven (www.etf.edu)
Eindredacteur Studiebijbel OT (www.studiebijbel.nl)

Bidstond Bodegraven

mei 11, 2013

Het verslag van de bidstond is hier te vinden op de site van Hervormd Bodegraven.

Het RD publiceerde dit verslag.

Het RD publiceerde tevens een ingekort stukje van de lezing van Prof. dr. M.J. Paul. Dit is hier te vinden.

Bidstond voor de Israël,
Dinsdag 14 mei om 20.00 uur, in de Dorpskerk, Oude Markt 1,
Bodegraven
1948 Israël 65 jaar 2013

Dr. M.J. Paul: “Het nieuwe verbond en de toekomst van Israel”
en Ds. H. Paul: “Israëls herstel”

m.m.v. Chr. gem. koor Deo Favente
orgel: Jonard Roukens


Posted in: Bidstond, bidstond

De Verwachting Israels – En het Keerpunt in de Kerk

maart 18, 2013

De verwachting vervangen …. het fatale keerpunt!

Wat verwacht de kerk aangaande Israël? Wat verwachten wij? Verwachten we dat het met Israel uit en over is, dat we hoogstens nog wat mee kunnen leven met dat land en volk in het Midden-Oosten, maar dat het in wezen een land is zonder bijzondere verwachting en toekomst, op gelijk niveau met alle andere volken op deze aarde, als de Chinezen of de Eskimo’s of dergelijke? Denken we mogelijk dat er nog wel rijke beloften in de Bijbel staan op naam van Israël, maar dat die beloften inmiddels bedoeld zijn voor de vervanging er van , voor het geestelijke Israël, voor de kerk?kansel

Of mogen we weten een geloven dat de vele nog niet vervulde beloften uit Oude en Nieuwe Testament echt nog aan Israël vervuld zullen worden? Dat er voor dat Oude bondsvolk nog een tijd van bekering en wederaanneming,  van nationaal herstel onder haar Vorst en Koning Jezus  te wachten is, wel in het besef dat heel Israel , zowel orthodox  als seculier die beloofde bekering onmisbaar nodig heeft.

Op weg naar een toekomst van heil en zegen voor dat volk en voor de wereld door dat volk! Naar uitwijzen van Gods heilig en onfeilbaar Woord? Dan dus geen vervanging maar vervulling?

Het is altijd weer verbazend op te merken hoe in de loop van de kerkgeschiedenis de Bijbelse verwachting voor het uitverkoren volk op en neer golfde. Vooral zien we dat na de Reformatie.

Daarvoor al stond ze echter al, behoudens de eerste eeuwen van het Christendom, overwegend op een laag pitje. Toen al, en altijd weer blijkt de verwachting voor de toekomst van Israel te maken te hebben met de bril waardoor wij de Bijbel lezen, de zogenaamde hermeneutische sleutel. Maar is die  keuze vrij? In Bijbelse tijd vervulde God Zijn beloften zichtbaar en herkenbaar, zal het nu anders gaan?

De eerste Christenkerk las de Bijbel overwegend zoals het er stond. Daar kwam verandering in door de directe en indirecte invloed van de z.g. Gnostieken die zich verzetten tegen een al te letterlijk lezen van de Bijbel, je moest dat toch vooral geestelijk verstaan en  dat was alleen mogelijk als je de Gnosis, de verborgen kennis bezat. Voor een groot deel door hun toedoen leerde de kerk het allegoriseren en vergeestelijken. Met gevolg dat bijvoorbeeld de kerkvader Origenes nogal smadelijk schrijft over de ”blote letterknechten, die deHeilige Schrift op Joodse wijze uitlegden”.  De invloed van die man en zijn mening bleek groot en langdurend. De toon was gezet. De gevolgen bleven niet uit.

Zeg maar vanaf  het concilie van Nicea,  in 325 na Chr., en  nadat de Christelijke kerk wereldlijke erkenning kreeg, raakte de kerk er overwegend van overtuigd dat zij de vervanging was van de kerk uit het Jodendom, het nieuwe Israël, en dat zij dus ook de rechtmatige eigenaar was van de aan Israël vermaakte beloften. Toen dus al de vervangingsleer ten koste van de verwachting en het gebed voor het oude Verbondsvolk .

Feitelijk werd toen al vervuld wat Jeremia profeteerde (33 : 24):  Hebt gij niet gezien, wat dit volk spreekt, zeggende: De twee geslachten die de HEERE verkoren had, die heeft Hij nu verworpen? Ja, zij versmaden Mijn volk, zodat het geen volk meer is voor hun aangezicht.

Dus: Israël telt niet meer mee, en wij hoeven er niet meer mee te tellen. Het heeft afgedaan! Het heeft het absoluut en blijvend verzondigd, zeker en vooral door de verwerping van Jezus. Die Godmoor-denaars! Vanaf die tijd steekt ook het antisemitisme meer en meer de kop op, juist binnen kerk en christendom. Tot in het extreme toe als later bij de kruistochten en de Jodenverbrandingen.

Keizer Constantijn die de samenroeper is van het Concilie van Nicea schrijft de vergadering  : “Het is onze plicht niets gemeenschappelijks te hebben met die moordenaars van onze Heere. Wij wensen ons af te zonderen van het verfoeilijke gezelschap der Joden, zulk een verdorven volk”.

Vanaf die tijd, de tijd dus dat de Christenvervolgingen voorbij zijn, dat de kerk gaat groeien en bloeien en mee gaat tellen in de wereld, dus met de opkomst van de wereldkerk én van het pausdom, vat de gedachte post dat nú  het vrederijk, het beloofde Duizendjarig rijk is aangebroken. Het is vooral Augustinus die dit leert en de kerk vanaf dan meegeeft. Daarmee is dan Israel vervangen en haar toekomstverwachting vervangen. Een gedachte die velen in onze dagen nog niet vreemd is!

Hoe helder het licht eeuwen daarna, in de kerk met de Reformatie ook op mocht gaan over de rechtvaardiging door het geloof en de autoriteit van het Woord van God, aangaande Israëls plaats en toekomst, drong dat licht niet echt door. Al waren er uitzonderingen.

Het was toch was later, vooral door de Puriteinen,  dat daar verandering in kwam. Zeker was het door hun onbevangen en lezen en onderzoeken van de Bijbel dat zij weer de plaats ontdekten die niet de kerk, maar die nog steeds Israël rechtens toekwam. Ook dat er in elke Bijbeltekst wel geestelijke lessen zijn maar dat we niet altijd weer mogen beginnen met het vergeestelijken van de tekst.

En dat niet de beloften voor Israel op de kerk over waren gegaan, maar de oordelen en bedreigingen voor Israël bestemd bleven. Een conclusie  die vooral bekeerde Joden de kerk terecht verweten.

Van harte geloofden de Puriteinen in een wederaanneming en bekering van Israel en dat dit voor de wereld, naar het woord van de apostel Paulus, niet anders zal zijn als het leven uit de doden. Echt!

In ons land waren er de mensen van de Nadere Reformatie die overwegend bij bovenstaand geluid van harte aansloten.. Geen tientallen, maar wel honderden predikanten, veelal ook predikanten die  anderszins geacht werden grote lichten te zijn, maar die in later tijd op dit punt later  min of meer doodgezwegen werden.  Bijvoorbeeld ds. Wilhelmus á Brakel was er van overtuigd en schreef dat: “Dit het gevoelen is van zeer vele uitnemende Godgeleerden  van alle tijden, en van verre de meeste in onze dagen (toen), en ’t is (was)hem zo klaar uit het Woord van Gods dat (schreef hij) ik daaraan gans geen twijfeling heb!” (Redelijke Godsdienst deel 3, blz. 320). Ds. Theodorus á Brakel,  zijn vader, liet op de laatste dagen van zijn sterfbed  de laatste hoofdstukken uit Jesaja zich voorlezen, en begint naar aanleiding daarvan dan te spreken over de bekering der Joden en haar herstelling, alsmede van  een heerlijker staat der kerk van Jezus Christus op aarde. Zo vast lag dat voor hem!

Later waren daar de mannen van het Reveil die dezelfde mening waren toegedaan en uitdroegen. Met grote trouw en veel ijver zetten zij zich in op allerlei gebied, maar vooral ook. voor de bekering van Israël.  Wie hoorde en las niet de klinkende namen van de bekeerde Joden Abraham Capadose, Isaak da Costa en vele anderen uit die tijd.

Op veel plaatsten in het land werden vooral vanuit die Reveilkring bidstonden gehouden voor de bekering van Israël. In Opheusden bijvoorbeeld,  begon Capadose daarmee in 1852, en naar hij in een brief aan da Costa schreef, voor een gehoor van ca. 1200 mensen.1526

We denken o.a. ook aan de Hervormde dominee Adrianus van Herwaarden, een vriend en broeder van Capadose, die later in 1855 op zulk een aangrijpende en indrukwekkende wijze door een onweer werd  weggenomen, op de kansel van Opheusden. Makkelijk was het niet altijd, zo kon ds. van Herwaarden bijvoorbeeld in Dordrecht in geen enkele kerk terecht, en moest voor een bidstond voor de Joden, uitwijken naar de schouwburg. In de kerk daar toen geen plaats voor Israel.

Daarnaast was er de “Nederlansche vereeniging voor Israel” in 1861 opgericht door Mr. Isaac da Costa, Dr. Abraham Capadose en  Ds. C. Schwartz, allen zelf bekeerde Joden, met vele anderen die altijd weer bezig om hun volksgenoten door Woord en gebed  bekend te maken met de Zaligmaker.

Ook werden bidstonden gehouden vanuit “De commissie voor zending onder Israel”,  in de (uit de afscheiding ontstane) Christelijk Gereformeerde Kerk, opgericht om ‘Israel te brengen aan de voeten van zijn Messias’ maar anderzijds ook: ‘om de belangen van Israel te leggen aan het harte des Heeren én aan het hart van Zijn volk!’

En toen kwamen de afscheiding in 1834 en de Doleantie in 1886. Dat werden geschiedenissen van heel veel broederstrijd, van verdachtmakingen van verwijdering, en van onherstelbare breuken. Dat laatste bij het activisme van Dr. Abraham Kuyper en de zijnen bij de Doleantie in 1886 vermoedelijk nog meer en heftiger dan bij de meer lijdelijke afscheiding lang daarvoor in 1834.

Niet netjes wellicht, maar wel tekenend voor de verhouding in die tijd met de na de Doleantie achter gebleven Hervormden  in Amsterdam is, dat op 26 augustus 1888  in de Nieuwe Kerk een z.g. dank- en bedestond werd gehouden “die terugging tot de jaren 1588, 1688 en 1888, dus over de vernietiging van de Spaanse, de Franse en de Kuyperiaanse macht”.

Omgekeerd,   …..als ds. Hoedemaker niet met de Doleantie meegaat  heet het van die kant:  “dat men stille heeft te zijn en leed te dragen over de ‘zo diepe val’ van de eens zo beminde broeder ……”.

Onze aandacht gaat naar 1892  naar de toen bestaande  Christelijk Gereformeerde Kerk  (een in 1869 uit twee anderen gefuseerde kerk uit de Afscheiding)  dan bestaande uit 394 gemeenten en zo’n 189.000 leden, én de kerk uit de Doleantie van 1886, welke laatste met 306 gemeenten en 181.000 leden, tot samengaan besloten, in eerste instantie op initiatief van de gezamenlijke hoogleraren uit beide groepen. Hun eerste bespreking daartoe was al in 1887, dus het jaar na de Doleantie.

Door die fusie waartoe besloten en in 1892 overgegaan werd ontstond dus een voor die tijd forse kerk van 370.000 leden en van 700 gemeenten. De ene kerk brengt de Vrije Universiteit  te Amsterdam mee, de andere de Theologische Universiteit Kampen  en worden samen dan ook de bovenstroom van het Gereformeerd Protestantisme in die tijd. Zeker ook in acht genomen de geldingsdrang van de betrokkenen.  Een citaat daarover  “De Gereformeerde Kerken beschouwden zich lange tijd als de Meest Ware Kerk van Christus … … Vooral het werk van Abraham Kuyper en Herman Bavinck zette een stempel op kerkelijk leven en denken!”

Voor ons onderwerp is belangrijk te weten dat de Bijbelse verwachting voor Israel  in de kerken uit de Afscheiding, nog steeds aanwezig was,  maar bij de kerk uit de Doleantie nauwelijks, zeker niet bij de grote leider Dr. A. Kuyper, die vond heel die Israëlverwachting maar Joodse dromerijen.

Trouwens heel de gang van zaken rond en na die fusie is voor ons onbegrijpelijk als we geen oog hebben voor de enorm sterke persoonlijkheid en geldingsdrang  en het charisma van Abraham Kuyper.

Ik lees uit die tijd: “De persoonsverheerlijking rond Kuyper viel in Nederland slechts te vergelijken met de cultus rond Domela Nieuwenhuis bij de sociaaldemocraten. Zelfs de afgescheidenen  –dus buiten de Dolerende kerk—  vonden het moeilijk om zich aan dat charisma te onttrekken!”

In een ooggetuigenverslag bij de ontvangst van Kuyper bij zijn bezoek aan de synode van de – dus dan nog niet met zijn kerk gefuseerde–  Christelijke Gereformeerde Kerk, op 18 januari 1889 in de Burgwalkerk in Kampen lezen we.: “Nu zullen wij die grote man kunnen horen en van nabij voor het eerste met die redenaar kennismaken. Het is ongeveer half tien in de avond. Het gerucht loopt door de kerk. “De afgevaardigden zijn gearriveerd aan het station, en zo dadelijk zullen zij ter vergadering komen!”…. Het zijdeurtje gaat open. Prof. Noordzij treedt binnen, onmiddellijk gevolgd door Dr. Abraham Kuyper en Mr. Dr. Willem van de Bergh.. Na een welkomstwoord van de praeses gaat Kuyper achter zijn stoel staan, overziet de schare als een gladiator die de arena binnentreedt, en maakt onmiddellijk gebruik van de gelegenheid om het woord te voeren. Kwartier na kwartier, ja uur na uur verloopt die avond, en geheel de vergadering is als het ware één oor om naar het machtige en bezielende woord van de pleitbezorger te luisteren. En wanneer tegen het middernachtelijk uur de redenaar aan het einde gekomen is, en ook nog door van de Bergh, met dat bleke gelaat, terwijl een zwarte lok over het marmeren voorhoofd hangt, met zachte stem een woord gesproken is, aandringend om elkander te zoeken, waar ook de Heere ons gezocht heeft en blijft zoeken, keren wij huiswaarts om nog lang, lang na te spreken …!”

Een ooggetuige uit de Utrechtse tijd verteld over het optreden van de dan ca. 30 jarige Kuyper: “Als Dr. Kuyper opkwam deed hij altijd halverwege de trap het gebed. Ik zie nog zijn gladgeschoren gezicht, dat zwart doorschemerde. Op de kansel gebruikte hij altijd een klein Bijbeltje, met een bladwijzer waarop de symbolen van Geloof Hoop en Liefde. Alles deed hij uit het hoofd, de teksten zocht hij ondertussen vliegensvlug op. Wij zaten ademloos van het begin tot het eind. Het was zalig!”(?)

Een meer recent getuigenis over Kuyper lezen we bij Agnes Amelink: “Kuyper streefde zijn idealen na met ongelofelijke werkkust. Wie probeert zich een beeld van hem te vormen, duizelt het al gauw. Als een veelkoppig monster beheerst hij de laatste decennia van de negentiende eeuw. Overal waar de gereformeerde orthodoxie in het geding is duikt hij op, in persoon en in geschrift.”

We zullen daarbij moeten bedenken dat er bij deze  man een ‘is-gelijk-teken’ stond tussen die gereformeerde orthodoxie en zijn eigen mening, én …. dat een bijzondere verwachting voor de toekomst van Israël op grond van de onvervulde profetieën, zoals die leefde bij velen in zijn tijd, naar zijn mening totaal onbestaanbaar en onmogelijk was. En dat hebben die velen die nog  liefde en verwachting voor Israël hadden,  in en buiten zijn kerk,  geweten! En niet alleen zij in die tijd.

****************

Duurde het “Samen op Weg- proces” van 1962 tot 2004, dus ca. 42 jaar, Kuyper en de zijnen wisten de vereniging van 1892, ondanks leer-  en liggingverschillen, naamgevingproblemen enz.  enz.  in goed drie jaar door te drukken. Er wáren grote verschillen en de gang van zaken was eenzijdig richting Kuyper en zijn Gereformeerden. “Niettemin was er (ook) bij de Christelijk Gereformeerden een meerderheid die op vereniging aandrong. De verschillen die er waren moesten maar in de doofpot. Historie en beginsel werden hiermee  losgelaten en de weg tot vereniging gebaand. Door het aannemen van enige besluiten geheel in de geest van Dr. A. Kuyper werd het een snelle afloop der wateren………”.   Zo lazen we ergens.

En verschillen waren er. Bijvoorbeeld: over de veronderstelde wedergeboorte, over de verhouding Theologische Universiteit Kampen en Vrije Universiteit te  Amsterdam, over de naamgeving van het nieuwe kerkverband, over de verhouding met de Hervormden. Maar, … zéker ook bij het behoudende deel van de vroegere afgescheidenen, waren er vooral grote zorgen over leer en over de prediking in de z.g. Nederduits Gereformeerde Kerken. Met name Prof. Lucas Lindeboom verzette zich fel en lanceerde zelfs een tegenoffensief onder de, voor ons bekende naam: “Bewaar het pand u toebetrouwd”. Het mocht hem niet baten. Bijzonder vond hij zijn Kamper mededocenten tegenover zich en vooral zijn collega prof. dr. Herman Bavinck welke laatste juist een fervent voor- en mede-stander van Kuyper bleek, en voor wie kritiek op Kuyper en op de vereniging onverdraaglijk was.

Tussendoor merken we op dat genoemde Prof. Lindeboom een man was met onvoorstelbare ijver en werkkracht, hij stond aan de basis stond van vele liefdadigheidsinstellingen, maar was ook al als jong predikant,  en later zijn leven door, vurig bezig met evangelisatiewerk . Verder nam hij het nam hij  het zonder schroom op tegen pastoors, tegen moderne  predikanten en tegen socialisten. Hij schuwde het debat met zijn tegenstanders niet maar zocht het juist, tot-en-met met Domela Nieuwenhuis de beroemde en beruchte socialist  toe. En hij schroomde dus ook niet om de grote Kuyper zo nodig de voet dwars te zetten, al was hij zelf  toch ook wel voorstander voor verenigen van de kerken.

Veelzeggend is verder het getuigenis over hem: Lindeboom was vooral een man van de daad, afkerig van schoolse geleerdheid, levend uit de gereformeerde beginselen, echter meer een Bijbels theoloog dan een dogmaticus.  Denkelijk gold van zijn tegenpolen Kuyper en Bavinck het tegenovergestelde!

*********************

Niet lang daarvoor  stonden de Dolerenden nog scherp tegenover de Christelijk Gereformeerde Kerk, ja noemde Kuyper haar zelfs ‘krank aan de levenwortel’.

Omgekeerd lag van Christelijk Gereformeerde zijde, op de hieronder genoemde synode van Amsterdam een bezwaarschrift tegen de voorgenomen vereniging door zevenhonderd leden ondertekend op tafel. Het ongenoegen vooral van CGK zijde was om vele redenen  erg groot, vooral tegen de persoon en de leer van Kuyper, maar dat al was voor de kerkleiding geen reden om pas op de plaats te maken. Het moest doorgaan, en ……ook hier was het dat  de theologen voorop gingen, immers  de aanzet tot deze fusie was het overleg tussen de hoogleraren van de universiteiten te Amsterdam (de VU) en te Kampen (de TUK) al in 1887.

We lezen: “De vereniging zelf, was een moment van grote plechtigheid. Op 17 juni 1892 werd in de door de dolerenden  gebouwde Amsterdamse Keizersgrachtkerk,  de verenigde zitting gehouden van de synoden van de  Christelijk Gereformeerde Kerk en de Nederduitsch Gereformeerde Kerken”.  Nadat vooraf beide synoden daar afzonderlijk vergaderden, maar ook nadat al in september 1891 het principe-besluit tot verenigen was genomen.                          

*******************

Bovenstaande moeten we wel weten om het vervolg goed te kunnen begrijpen maar, ……. het zou gaan om de verwachting vóór Israël en dóór Israël en de vervanging daarvan door de vervangingsleer.kuyper

In de Dolerende kerken van Kuyper bespeuren we niet veel van de verwachting zoals die eerder  leefde bij het voorgeslacht in Nadere Reformatie en Reveil. Zeker zouden er nog wel individuele joden worden bekeerd meende men, maar Israel als volk en zeker als Verbondsvolk, had afgedaan: De Israëliet was ondergegaan in de Jood,  en de kerk had de plaats van Israel ingenomen.

Anders lag dat bij veel predikanten uit de, door Kuyper en de zijnen zo verfoeide Nederlands Hervormde Kerk, die onder andere ook betrokken waren bij arbeid voor Israël uit de Reveilkring en bijvoorbeeld ook voorgingen in bidstonden die door Dr. Capadose en anderen werden georganiseerd.

Maar veel meer nog blijkt de verwachting voor de toekomst Israëls en een open oog voor de nog onvervulde profetieën onuitroeibaar in de kerken uit de Afscheiding.

Zeker was dat laatste tot grote ergernis van Kuyper en zijn medestanders, naar zijn mening was het met de afloop van het Oude Verbond afgedaan met de bijzondere plaats en betekenis van Israël., vanaf dan vallen zij ook niet meer onder de noemer van Israel maar zijn het de Joden. Letterlijk schrijft hij: “Toen Immanuel(Christus) verscheen, is Hij niet opgetreden onder het van Godswege geïnspireerde volk van Israel maar …… onder de nawas van Israel, d.i. onder de Joden.”  Duidelijk toch!

Maar ook blijkt tot verdriet van Kuyper dat de verwachting voor wederaanneming en een nationale bekering voor Israël  en arbeid onder de Joden vrijwel altijd samengaat met  enige vorm van chiliasme. Ze blijken ook nauwelijks los verkrijgbaar. Abraham Kuyper gruwt er van en heeft het over een averechtse en onmogelijke verwachting.

Trouwens blijkt uit al zijn geschrijf ook een grote weerzin tegen het Jodendom. In 1879 schreef hij :
Al meer vestigt zich de aandacht der publieke opinie op de ongelofelijke invloed , die heden ten dage op de lotgevallen van Europa wordt uitgeoefend door de Joden”.

Elders is hij beducht: “dat het Joodse element zijn woeling even ongestoord en straffeloos (kunnen) voortzetten, veilig achter het ondoordringbaar schild van weleer geleden onrecht.”

Op een andere plaats wijst hij: “op de onberekenbare invloed, die een enkele bekeerling als da Costa, door zijn Semitische gloed  op de gezindheid van ons volk jegens de Joden heeft uitgeoefend.”

Had Kuyper dan helemaal geen verwachting voor het Oude Bondsvolk? Jawel hoor, maar ……. dat was een omgekeerde en negatieve verwachting. Zoals gezegd wist hij zeker dat de bijzondere plaats en taak voor Israel met het einde van het Oude Testament was afgelopen, vanaf dan is het ook geen Israël meer maar zijn het de Joden en is het gewoon een der vele volken op deze aarde, als de Belgen, de Chinezen of wat dan ook. Verwachting voor hen? Jawel dat had hij,  maar hoe?

We lezen in zijn boek “Van de voleinding”, op blz. 472:  Na Zijn verrijzenis is Jezus ten hemel gevaren. In de hemel der hemelen is Hij gezeten aan Gods Rechterhand. Met de macht bekleed is Hem een naam gegeven , welke is boven alle naam, zodat nu in Jezus Naam te buigen heeft alle knie dergenen die in de hemel, en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en alle tong heeft te belijden, dat Christus thans de Heere, tot heerlijkheid Gods des Vaders is. Dit nu wordt ons nader alzo uitgebeeld, dat Christus, nadat Hij ten hemel voer, alsnu zit als Koning, dat Hij als Koning heerst, en dat die heerschappij door gaat, totdat eens alle Zijn vijanden aan Zijn voeten onderworpen zullen zijn. Ook de joden, met hun volksstaat, zijn alzo van de ure van de Hemelvaart af, aan de Christus onderworpen geweest. Hij is het die van uit de hemel het lot van de Joden geleid heeft, en zo moet als derde grote daad van de Christus na de Hemelvaart, de ondergang van Jeruzalem en van de Joodse volksstaat voor ons vast staan. Eerst heeft Jezus van uit de hemel de Heilige Geest uitgestort. In de tweede plaats heeft Hij Saul op de weg naar Damascus tot Zijn apostel gemaakt. En in de derde plaats heeft Hij ook aan de Joden het ontzettend oordeel voltrokken dat in Zijn ‘wee u’ over de Farizeeën geprofeteerd lag.

In de korte geschiedenis van de kerk uit de Doleantie (!886-1892) is er één moment dat over zending onder de Joden gesproken wordt n.l. op het zendingscongres op 28, 29 en 30 januari 1890 volgens opdracht der voorlopige synode van de Nederduitsche Gereformeerde Kerken. Het referaat wordt gehouden door ….. Dr. A. Kuyper. Kennelijk kon de man niet wachten met het heropvoeden van de Christelijk Gereformeerde volgelingen van Nadere Reformatie en Reveil. tot de kerkfusie een feit was.  Enkele flarden uit zijn lezing: …. zending onder de Joden…. moet niet gericht zijn op het maken van een enkele proseliet ……..moet het rabbinistische wezen in zijn hartader aantasten ……op dit netelige terrein de hoogmoed der Joden bestraffen door de wet ….. zelfs bij Joden-zending drongen Joodse denkbeelden in van chiliastische droombeelden …… wachten wij ons voor Juden-Hetze; maar ook voor Joden-liefhebberij ……de antithese blijft: Christus tegenover de Joden  …..

En dan te weten dat de voorzitter van dat congres  –ds. Lion Cachet–  een geboren en bekeerde Jood was die in zijn jeugd nog zat aan de voeten van da Costa.. De man ging in Rotterdam eerder mee met de Doleantiebeweging van Kuyper en bracht ruim 10.000 Rotterdammers mee. Hij zal op zijn minst een onbehagelijk gevoel gehad hebben onder de lezing van Kuyper.

De mening van Kuyper was dus duidelijk en …. hij was overheersend ja blijkt zelfs bepalend in de Dolerende kerk. Is het toeval of kruisbestuiving dat  aan de andere zijde, in de Christelijke Gerefor-meerde Kerk een vergelijkbaar geluid wordt gehoord uit de mond van –de toen nog jonge–  Dr. Herman Bavinck,die in tegenstelling tot zijn TUK-collega prof. Lindeboom in bijna alles op hetzelfde spoor als Kuyper zat. Op de zendingsconferentie van zijn eigen kerk, in 1889 spreekt hij over “Het Jodendom in onze tijd”, en zegt daar onder meer…. dat de Israëliet is ondergegaan in de Jood; de priester en Profeet maakt plaats voor de Schriftgeleerde; het gebed voor het formulier: de geest voor de letter!

De tweede en geheel tegengestelde lezing die bewuste dag was door ds. Jan van Andel  die handelde over: “Israël in de Apocalypse”  de laatste  stak zijn toekomstverwachting voor Israel duidelijk niet onder stoelen of banken. We lezen over hem: Hij stond bekend als een zorgvuldig en fijnzinnig exegeet maar was  –wellicht hierom — theologisch wel wat verdacht.

En het moet gezegd, die verwachting voor Israel en dat Chiliasme lag in de Christelijk Gereformeerde kerk  regelmatig op de synodetafel, wel werd het door de meerderheid afgewezen, maar ook steeds weer opnieuw ter sprake gebracht en verdedigd door een niet te verwaarlozen minderheid. Het stond in ieder geval op de agenda  van de synoden in 1863, 1866, 1872 en 1879.

Op de synode van 1879 waar 39 afgevaardigden vergaderd zijn,  is het ook ds. van Andel die het voorstel doet tot nadere bestudering van de profetieën. Uiteindelijk wordt ook dit voorstel verworpen, 23 stemmen tegen en 16 voor. Tegen dit besluit tekenden tien broeders bezwaar aan: Zij vonden dat het alleszins de moeite waard was het Bijbelonderzoek ter zake te stimuleren, zelfs eventueel de belijdenis aan te vullen.  Let wel: 40 procent van die vergadering stemt voor het voorstel en 25 procent tekent bezwaar aan. tegen verwerping van het voorgestelde. Het laat toch wel zien hoe daar de verhoudingen lagen.  Bij de protesterenden  zien we klinkende namen als ds. Lindeboom van ds. J.H. Donner en anderen, opmerkelijk genoeg ook de naam van ds H. Beuker van wie we weten van dat hij, net als Kuyper, een sterke  aversie tegen Joden had en dat ook uitdroeg, (hij gruwde bijv. alleen al bij de gedachte,  dat joden hoge functies in het leger zouden gaan innemen)  maar dat  tastte kennelijk zijn geloof in de profetieën en zijn ijver voor hun bekering  niet aan.

Al op de agenda van de Synode van 1875 stond als punt: De wenselijkheid om zending onder Israël ter hand te nemen ten einde Israël te brengen aan de voeten van zijn Messias. Dat vond ingang,  en de synode benoemde om te beginnen een: “Commissie voor zending onder Israël”. Deze commissie zal in wisselende samenstelling als zodanig zal blijven functioneren tot na de vereniging en tot de fatale synode van 1893 om daarna verder te moeten als:  “Deputaatschap voor zending onder de Joden”.

Belangrijkste lid en stabiele factor is vanaf het begin de bekeerde Jood Ds. Eliezer Kropveld, vanaf het beging in 1875 tot zijn onvrijwillige -?- terugtreden in 1908, vrijwel de hele tijd als secretaris- penningmeester. We lezen over deze man: In de kerk die voortkwam uit de Afscheiding van 1834 vervulde Kropveld de rol die Da Costa en Capadose, Schwartz  en van Ronkel hadden vervuld onder velen van de orthodox-protestantse Nederlanders, (waartoe de Afgescheidenen trouwens ook behoorden). Hij was voor hen –naast die grote namen– een fenomeen!

Stimulator achter de oprichting van die Commissie was vooral ook ds.(later prof.) Lucas Lindeboom. Datzelfde jaar nog gaat er een oproep de gemeenten door om te collecteren voor de arbeid onder Israël: ’s Heeren eerstgeborene …Want:  De oudste zoon, al ziet hij wat stuurs en trots, is toch van God niet buiten gesloten …….. Een mooi begin, schreef Lindeboom er over, onze gemeenten worden reeds wakker, ook over Israel, Gods oude volk!

Van  ds. J.H. Donner lezen we in diezelfde tijd : Vooral drukte hij er op dat Christenen eindelijk eens moesten  ophouden tegenover Israël te handelen naar de treurige regel  ‘al het uwe is van ons’. Geenvervangingsleer dus.

Een vluchtige blik laat dus al zien dat het bij de Christelijk Gereformeerden (Afgescheidenen) wel heel anders lag als bij de Dolerenden van Kuyper. Het is dan ook met grote zorg dat de ‘Commissie voor zending onder Israel’ de fusie van 1892 van hun CGK met de NGK van Kuyper tegemoet ziet.  ‘Een confrontatie kon niet uitblijven!’

Het heeft er alle schijn van dat Kuyper gepopeld heeft om zijn kruistocht te beginnen tegen de, naar zijn mening  ‘onhoudbare en averechtse exegese’  der vaderen zoals die geloofd en geleerd werd door nog zo velen in de Christelijk Gereformeerde Kerk waarmee hij en zijn Dolende kerk gingen fuseren.

Bij enig onderzoek  treft de respectloze wijze waarop hij met mensen en hun meningen omging.

Al dadelijk was er een schermutseling over de juiste naam.  “Zending onder Israël van de Gerefor-meerde Kerken” had de oude maar herbenoemde commissie gedacht. Maar dat kon niet werd hen te verstaan gegeven. ‘Israël’ werd altijd toegepast op de kerk, en ‘Joden’ was gereserveerd voor de kinderen van Abraham naar het vlees, zo moesten ze weten en onthouden, dus moest de nieuwe naam worden: ‘Deputaatschap voor de zending onder de Joden’. Dat was al op de synode van 1893.

Dominee Kropveld schreef eerder op zijn levensverhaal en bekeringsweg uitgegeven door : ‘De commissie voor Christ. Geref. Zending onder Israël”, maar hij is zo goed niet of hij moet zijn boekje zo herzien dat het niet meer over Israël gaat maar over de Joden. Sterker nog, ….. als hij op een latere synodevergadering  nog eens de aanduiding ‘Israël’ gebruikt krijgt hij in het openbaar een standje van synodeadviseur Kuyper. Want …….. een titel moet vast staan,  en naar buiten moest zeker geen titel worden gevoerd die door de Kerken  –lees: Kuyper– als onjuist is afgekeurd.

Het moet ds. Kropveld geduizeld hebben, nooit maakte iemand in zijn kring bezwaar tegen de naam ‘Israël’, en nu ineens van alle kanten.

Op de synode van Middelburg 1896 is het weer raak. Als van Andel in een rapport vaststelt dat de Joden‘thans kinderen van ons volk zijn geworden’  krijgt hij onmiddellijk Kuyper tegen zich, dat gaat die veel te ver;  zij waren leden van onze volksstaat, ‘maar product, geboren uit ons volk waren zij toch zeker niet’.En als dezelfde van Andel dan ook nog op papier zet:  “de Joden zijn thans geen volk meer , maar eens zullen zij weder een volk worden”, dan moet hij dat ter synode nog terug nemen.

Kropveld schreef voor de Synode een verslag van de handelingen van deputaten en gaf een financieel overzicht en van Andel schreef het deputatenrapport met enkele voorstellen. Het rapport werd niet eens in de acta opgenomen,  het uitgebreide commentaar van de synodale commissie wel!

De kritiek werd onder woorden gebracht door — u raad het —  prof. dr. A. Kuyper, ‘als hoogleraar aan de Vrije Universiteit, één van de pre-adviseurs en lid van de synodale beoordelingscommissie’.

Om te beginnen stuitte het financiële verslag op  kritiek wegens vermeende verkeerde geldbelegging én onduidelijkheid. Vervolgens: Het voorstel van deputaten een docent Judaica aan de school in Kampen te verbinden werd per omgaande van tafel geveegd, met argumenten die een stevige steek richting ds. van Andel in zich hadden, ook waar die dat docentschap graag op zich had genomen.

Adviseur Kuyper was er tegen omdat naar zijn mening de colleges van zo iemand ‘rijk aan overzichten en arm aan inzichten meest zijn’.

Ook bespraken deputaten in hun rapport de vraag waarom zending onder de Joden afgezonderd moet zijn van die onder de heidenen en Mohammedanen en geven daartoe een vijftal redenen. Te weten:

1e dat de Joden dan weer een eigen volk zullen worden,.. 2e dat zij een eigen Heilige Schrift en theologische taal hebben,.. 3e dat wij een acte van eerbied schuldig zijn tegenover het volk, waaruit de Christus geboren werd .. , 4e dat de zending onder de Joden een bijzondere plaats in het hart  der vromen heeft,…  en 5e dat de toekomst der Joden in het nauwste verband staat met de toekomst der Christelijke kerk.

Maar  …. de synodale commissie  (zeg Kuyper) veegt ze allen grof en radicaal van tafel:  Met deze motieven kan uw commissie zich niet wel verenigen!  enz. …. en gaat verder: Deze motieven niet overnemende , is uw commissie van mening dat het motief voor een afzonderlijke zending alleen hierin gelegen is, dat zij –de Joden dus– zonder een valse bron van openbaring aan te nemen, met ons de openbaring des Ouden Testaments gemeen hebben, en dies te schuldiger voor God staan, bijaldien zij zich tegen het klare licht der openbaring verharden! . …. enz..

We lezen niet van Bijbelse motieven tegen de argumenten van deputaten, alleen de rationele tegen-argumenten en mening van Kuyper blijken te gelden en doorslaggevend te zijn.

Op de koop toe besluit de synode in een latere zitting ook nog  om het aantal deputaten terug te brengen van vijf naar drie stuks. De broeders, ook de afgedankten,  konden het nalezen in “Het Kerkblad”. Dat  was kennelijk het stempel op de besluitvorming!

Het fatale keerpunt

Laten we niet onderschatten wat er in die periode en met name op die synoden van 1892, 1893 en 1896  gebeurde. Daar botsten twee werelden., de wereld van Nadere Reformatie en Reveil enerzijds,  en die van de Doleantie aan de anderzijds, anders gezegd, ….de wereld van verwachting voor Israël,  en de wereld van de vervanging van Israël . De eerste zwak, niet georganiseerd, vrijwel zonder woord-voerder, de andere met Dr. Abraham Kuyper bijgenaamd “DE GEWELDIGE” voorop,  en twee Hogescholen achter zich met al hun invloed, plus een strakke kerkelijke organisatie.

Let nog even op!….Doctor Abraham Kuyper, dan ca. 55 jaar oud, de theoloog, predikant, staatsman, journalist,  hoogleraar, partijleider, kamerlid, minister van Binnenlandse zaken,  minister-president, hoofdredacteur van diverse bladen, stichter van de Vrije Universiteit, leider van de Doleantie enz. enz. Een autoriteit, en als zodanig erkend  binnen- en in buitenland. Een man met grote capaciteiten en bijzondere verdiensten Maar ook  … …van jongs af al een persoon met bijzonder sterke geldingsdrang.

Intussen gebeurde er wel iets vreselijks in die periode en op die genoemde synoden.  Daar werd een stroom afgedamd en een verwachting om zeep geholpen.  De stroom der gebeden op grond van de beloften voor Israel naar uitwijzen van het Woord van God, opgeroepen en gestimuleerd door de vaderen van Nadere Reformatie, door de Puriteinen , door het Reveil. Gebeden die ook gedaan werden en gestimuleerd werden in en door de openbare bidstonden. Bidstonden die belegd werden ‘om Israël te brengen aan de voeten van zijn Messias’, maar ook  ‘om de belangen van Israel te leggen aan het harte des Heeren en aan het hart van Zijn volk’.

keerpunt

Hier gaat in het denken van de kerk een wissel om en de trein gaat op het andere spoor verder, met invloed en doorwerking kerkelijk Nederland breed, ja zelfs ver over de grenzen door de internationale invloed van Kuyper en zijn school met de machtige roep: Het oude Israel bestaat niet meer en haar wettige rechtsopvolger en dus eigenaar van al haar beloften is nu de kerk! Het oude Israël is vervangen door het nieuwe Israël! Wat Israël was zijn nu de joden, achtergebleven als een volk zonder beloften en zonder verwachting want die gingen op de kerk over.

We misten op de synode van 1896 bij het verwerpen van de voorstellen –en de verwachting– van de deputaten door Dr. Kuyper dus enige Bijbelse onderbouwing, alleen rationele argumenten met de mening van Kuyper zelf voeren de boventoon. Maar het kan nog erger; ………  in het bijzonder informatieve boek: “Een kerk op zoek naar Israël”, schrijft Drs. J. van Gelderen over deze fase dat het moeilijk is om aan te geven waarom Kuyper het chiliasme (van iemand als da Costa) veroordeelde, en komt dan in feite tot de conclusie dat dit anti vooral ingegeven werd door politieke motieven (blz. 32). De Bijbelse theologen a la da Costaliepen hem voor de voeten, lezen we. Immers, Kuyper wilde handelen, organiseren, politiseren. Illustratief is in deze situatie de spanning tussen de dolerende Kuyper en  ds. Jan van Andel  als  geestverwant van da Costa ook op sociaal en politiek terrein. Maar:….. ‘de invloed en  het charisma van Kuyper was overigens veel machtiger dan de visie van van Andel.

Het is goed om ons te realiseren hoe ontzettend ingrijpend de gevolgen zijn van de leer dat de kerk de in plaats van Israel kwam, de vervangingsleer. En tegelijk op hoe zwakke en oneigenlijke gronden maar ook met hoeveel geweld deze leer in de kerk nieuw leven werd ingeblazen, met verachting van de mening en leer der vaderen., en ook van medebroeders die een andere mening hadden.

Het heeft ook alles te maken met heden, met verleden en met toekomst.

In het aangehaalde werk: “Een kerk op zoek naar Israël”, krijgen we ook een sfeertekening uit die tijd als we lezen: “Het Gereformeerde volksdeel –dat leefde bij de eenheid van Oude en Nieuwe Testa-ment– voedde zich wat zijn visie op Israel betreft veelal nog met wat  de zogenaamde oud-vaders

(van de Nadere Reformatie) hierover hadden geschreven. Een geliefd auteur was Wilhelmus á Brakel (1635-1711) met zijn “Redelijke Godsdienst. Enz.”.   Helaas, dat deel der kerk moest het onderspit delven en werd overruled door de school van Kuyper en van Bavinck.

Israël werd daar van haar naam en van haar eerstgeboorterecht beroofd, niet door haar God en HEERE maar door mensen en hun meningen. Hoe anders dacht Paulus er over in Romeinen 9 vers 4 en 5 en hoe indringend waren zijn gebeden voor zijn eigen volk blijkens de eerste drie verzen van datzelfde Romeinen 9.

Onbegrijpelijk dat ook de kerken der Reformatie die niet meegingen met de vereniging van 1892 en die zich met kracht verzet hebben tegen zoveel meningen van de Doleantie als de veronderstelde wedergeboorte, de wijziging van artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis enz. enz. , dat diezelfde kerken,  juist en alleen als het om de verwachting voor Israel ging,  feitelijk ook  afstand namen van de Puriteinen, van de Nadere Reformatie en van het Reveil, en aangaande de vervangings-leer het Kuyper gewonnen gaven. Opmerkelijk en krampachtig is en blijft ook daar de angst voor alles wat in verband met de toekomst van Israël naar Chiliasme of zelfs naar de schijn daarvan zweemt.

Gevolg in de kerken? De bidstonden droogden op, de gebeden voor Israel droogden op. Trouwens, met het vervangen en vergeestelijken van de beloften voor toekomstige wederaanneming en bekering van het Oude  Verbondsvolk verdween de bodem, de pleitgrond onder die gebeden, en dat merken we tot vandaag de dag. Waar zijn de vurige gebeden als van Paulus in Romeinen 9, maar ook van een Goodwin, Bunyan,  vader en zoon á Brakel, Groenewegen, da Costa, Capadose, Ds. van Herwaarden,  en die honderden anderen die zich vast mochten klemmen aan de beloften en profetieën dienaan-gaande uit Oude en uit Nieuwe Testament en vurig verlangden naar de ‘Toekomst Israëls’. Naar de tijd dat God zijn beloften in gaat lossen. Ach wanneer komt die dag en die dagen!

Waarom werden vele jaren de boeken van oude schrijvers in deze zo selectief uitgegeven. Waarom namen en nemen voormannen uit de Reformatorische wereld (bijna) openlijk afstand van de toekomst-verwachting van de Brakel sr. en jr., van da Costa en van anderen?  Alles dank zij die vervangingsleer!

Zeker, er kwam na 1948 meer aandacht en sympathie voor Israël. We horen meer bidden voor dat volk in het Midden Oosten wat belaagd wordt van alle kanten, en is als een notendopje drijvende in een totaal vijandige Moslimwereld, dus dat gebed om bescherming is goed en nodig maar is niet genoeg.

Israël heeft meer nodig als dat. Wat dat uitverkoren volk nodig heeft om tot haar hoge bestemming te komen is bekering, is herleving, is wederaanneming,  is datzelfde licht uit de Hemel wat Saulus omscheen op de weg van Jeruzalem naar Damascus, is de vervulling van al Gods beloften, is de verzoening met de Koning der Joden.

“Doch zo wanneer het tot de Heere  zal bekeerd zijn, zo wordt het deksel weggenomen!”, en dan breekt het totdat-ogenblik aan, waar de Heere Zelf van spreekt: “Ik zeg u, gij zult Mij van nu aan niet zien totdat gij zeggen zult  Gezegend is Hij, Die komt in de Naam des Heeren!”(Matth. 23:39)

Een rijke gedachte dat de Bijbelse profetieën beloften zijn maar tegelijk voorzeggingen zijn, de verkondiging van Gods raadsplan, en Zijn raad zal bestaan en Hij zal al zijn welbehagen doen, door al Zijn deugden aangespoord zal JHVW Zijn Woord en Trouw verheffen.

L.O.

Geraadpleegde literatuur:

“Boek van rijke herinnering” (Ned. Herv.  Amsterdam 1578-1928), door Ds. R. Dijkstra
“De gereformeerden” , door Agnes Amelink,   Amsterdam 2002
“De toekomst Israëls”, door Capadose e.a. Gorinchem 1852”
“Een kerk op zoek naar Israel”, door van Stegeren-Keijzer e.a. Kampen 1995
“Inleiding tot de dogmengeschiedenis enz.” door  Dr. J.C.L. Gieseler, Utrecht 1858
“Israëls aanneming het leven uit de doden”, door C.J. Buys,  Bleiswijk 1974
“Kort overzicht van de geschiedenis der CGK in Ned.” door Ds. W. Bijleveld, Haarlem 1924
“Theologische Universiteit in Kampen 1854 -2004”, door B. de Graaf en G. van Klinken, Kampen 2005
“Van de voleinding”, door Dr. A. Kuyper, Kampen 1929


De Rotskoepel op de Tempelberg

februari 8, 2013

Daar staat hij, midden op de Tempelberg, de Rotskoepel, een indrukwekkend gebouw, achthoekig met een doorsnede van zo’n 55 m. en een hoogte van ca. 30 m., de koepel goudkleurig en blinkend in de zon.rotskoepel

Eerder stond daar de Tempel gewijd aan JHVH , de God van Israël, niet alzo de Rotskoepel die gewijd is aan Allah, de God van de Islam. Denken we daar wel aan als we naar dat zo dominante bouwwerk kijken?

Oud en bewogen is de geschiedenis van de berg waarvan Psalm 132:13 ons verteld : “Want de HEERE heeft Sion verkoren, Hij heeft het begeerd tot Zijn woonplaats!” En nu dit!

Alles was al anders geworden na de verwoesting van de tempel door de Romeinen en nadat de Joden uit Jeruzalem verdreven waren, maar veranderde nog veel meer en ogenschijnlijk definitief toen in ca. 638 n.Chr. kalief Omar Jeruzalem innam en zich spoedde naar de Tempelberg.  Omar deed daar drie dingen, hij begon het puin te  ruimen, daarna, met het gezicht naar Mekka gewend,  sprak hij met zijn metgezellen hun rituele gebed uit om daarmee de berg vanaf dan aan Allah te wijden, wat hij ook bevestigde door het plaatsten van een kleine houten moskee daar, op die plaats van offer en gebed van het oude Bondsvolk.

Weinig zal Omar beseft hebben dat hij daarmee letterlijk de profetie door Ezechiël in 36:2 vervulde: Alzo zegt de Heere HEERE; Omdat de vijand van u zegt: “Heah! zelfs de eeuwige hoogten zijn óns ten erve geworden!    (Naardense Bijbel: “haha- offerhoogten voor eeuwigzijn ons tot erfbezit geworden!”)

Wel een andere benadering als daar voor de Byzantijnse christenen die de Tempelberg ook als vuilnishoop gebruikten.

Na of door Omar wijzigde ook de naam van de berg Sion of de Tempelberg in het islamitische

Haram al-Sharif . (vertaald: “Het edele heiligdom”). Triomf dus over het Jodendom!f

De Rotskoepel is –let op!– geen moskee maar een gedenkplaats, dus met symbolische functie, om de dominantie over Jodendom én Christendom tot uitdrukking te brengen.  Om dat laatste goed te laten zien werd hij al in de bouwtijd (ca. 688-692),  aan binnen en buitenkant voorzien van een doorlopende inscriptie van soera’s –teksten uit de Koran–  die allen overeenstemmen in hun verwerping van de leer van de Drie-eenheid en van de waarachtige Godheid van Jezus, een gruwel in de ogen van de Islam.

Helaas, over dat laatste –dat Jezus niet de Waarachtige Zoon van God is–  zijn Jodendom en Islam het treurig eens, al is en blijft overigens de tegenstelling en oude vijandschap, tussen  Israël en Ismaël. zoals ook de verwikkelingen rond de Tempelberg en het heilige land nog dagelijks uitwijzen.

Maar dat is niet het laatste, want …..    wij hebben het profetisch Woord, dat zeer vast is, en gij doet wel –ook in deze– dat gij daarop acht hebt! ( 2 Petr. 1:19)  Dat Woord spreekt over het verleden, over het heden,  en over de toekomst, en in alles gaat het over Gods nooit gekrenkte trouw aan Israël noch aan de Koning Israëls,  dat gaat samen! Het blijft staan en zal waar zijn: Ik  toch –de HEERE–   heb Mijn Koning gezalfd over Sion de berg Mijner heiligheid.

Daarom en daardoor alleen en volkomen, komt het goed met Jeruzalem en met de berg Sion. Hoe precies? God weet het! Zijn raad zal bestaan! Hij zal al Zijn welbehagen doen!

Bidden we dan om de vrede voor Jeruzalem,  in de weg van bekering  en van wederaanneming.

De Heere HEERE spreekt er Zelf van:  “Ik doe het !…….. niet om uwentwil gij huis Israëls  maar om Mijn heilige Naam!” (Ezechiël 36)  Vaster en zekerder kan het niet.

En de afloop? Dat mocht de profeet Obadja zien en ons voorzeggen: Maar op de berg Sions zal ontkoming zijn, en hij zal een heiligheid zijn; en die van het huis Jacobs zullen hun erfgoederen erfelijk bezitten, ….. en het Koninkrijk zal des Heeren zijn! (vers 1a, 17 en 21b, verg. Gen. 35::12)

L.O.


Israel en de Volken, Isaac Da Costa

februari 4, 2013

Isaac Da Costa (1798-1860) vormt een bijzonder persoon wanneer hij geplaatst wordt in de tijd na het afsluiten van het tijdperk van de Reformatie en in het begin van de Revolutie in Europa die sinds 1789 vorm kreeg. Hij maakt een hoogst opmerkelijke verschijning als spirituele zoon van Willem Bilderdijk door zich het lot van het Joodse volk aan te trekken en dit onder de aandacht brengt binnen de behouden (orthodoxe) protestantse kerk. Door zijn bijzondere geestelijke verlichting genoot hij het vertrouwen van velen en kreeg hij een belangrijke plaats in de lijn van de leraars van de Kerk.

Samen met Abraham Capadose trokken ze beiden extra aandacht omdat zij Joods waren. Ze leefden in de periode die het Reveil genoemd werd. Juist deze mensen, maar met name Da Costa werden door Willem Bilderdijk die de vader van het Reveil genoemd werd, als zijn zonen beschouwd. Deze opwekking, dat reveil luidde een heel andere tijd in. Wereldwijd gebeurden er opwekkingen in het begin van de 19e eeuw. De bijzondere samenval daarbij was de grote veranderingen die het Joodse volk onderging. Ten tijde namelijk van de Franse Revolutie en daarna kregen de Joden in Europa voor het eerst sinds de val van Jeruzalem gelijke rechten als andere burgers van landen in Europa. De Verlichting zette ook door onder het Jodendom. Da Costa beschouwde dat als redelijk gunstig, maar hij zei wel dat er goede en slechte kanten aan zaten. (Als zoon van Bilderdijk die falikant tegen de Verlichting was.) Hij zag in ieder geval duidelijk in dat hiermee een totaal nieuwe periode aanbrak voor de Joden. En daarbij wist hij dat dit uit moest lopen op de bekering van dit verbondsvolk. Als wij hierbij betrekken dat het met onze Nederlandse volkskerk sinds die tijd helemaal niet goed meer gaat, maar gestaag bergafwaarts, dan vraagt deze ontwikkeling ons des te meer aandacht.

In het boek Israel en de Volken, 1848, richt Da Costa zijn kijker op het Joodse volk. En wij kunnen gerust aannemen dat hij dat doet om het volkisraelendevolken uit de brei der volken te lichten om het in het licht van de toekomst te plaatsen. De Heere zou immers op dat volk terug komen? De aandacht die hij vraagt voor de veranderende staat van Israel in zijn tijd is ook voor ons nog steeds actueel, bovendien lijkt het voor de kerk nodig om daarover eens grondig over na te denken. Misschien is het wel zijn belangrijkste boek dat hij heeft nagelaten ter lering, of misschien beter gezegd, ter terechtwijzing van de kerk. Alleen de titel al bepaalt ons bij een bijzonderheid, nl. dat Israel nog steeds een uniek volk is onder alle andere volken. Daarmee bepaalt hij de richting voor de kerk, o.a. door het herzien van de vervangingsleer. In tegenstelling daarmee heeft de volkskerk met Kuiper juist de verbonds visie exclusief toegeeigend en de vervangingsleer nieuw leven ingeblazen. En juist dat brak de kerk op in vele afscheidingen. De eerst zo levendige gereformeerde kerk was lauw geworden, wankelde en brokkelde af. Het was niet onbelangrijk om op de Joden te letten zoals Da Costa ons voorging.

Ondertussen bracht de nieuwe tijd onder de Joden een sterke ontwikkeling en het volk kwam op allerlei manieren tot leven. Vele Joodse geleerden kregen een voorname plaats in de maatschappij en droegen in niet geringe mate bij aan revolutionaire ontwikkelingen. Keerzijde was dat de assimilatie erg toenam. Maar wat Da Costa in beeld bracht zette door. De Joden herleefden als door een wederopstanding. Da Costa verheugde zich in de opmerkelijke meerdere bekeringen van Joden tot het Christendom, waarbij hij dan wel de Christus zelf op het oog had, die de Jood compleet maakte. Want zoals hij ergens zegt: het is wel vreemd dat een Jood zich nu moet bekeren tot een andere religie terwijl hij toch Joods is net als Jezus en de apostelen.

Veel rabbijnen waren net als orthodoxe Christenen niet blij met de Verlichting die toch een ondergraving was van het ware Godsvertrouwen. Een heel bijzondere ontwikkeling gebeurde er met de tweede wereldoorlog. De meest verschrikkelijke catastrofe brak aan voor de Joden die juist op weg waren naar een veelbelovende toekomst. Toen gebeurde er iets wat Da Costa wellicht niet had gedacht: De Joden werden niet (in het kielzog van Mozes Mendelssohn) tot het Christendom bekeerd, maar na de oorlog herstelde het rabbinale Jodendom zich in het orthodoxe (klassieke) Jodendom en men achtte de shoa het gevolg het niet houden van de wet, de Torah. Ondertussen had Israel wel door het voornamelijk liberale Jodendom een staat gekregen. Dit wordt over het algemeen door het rabbinaat wel als “een begin van de verlossing” aangeduid, maar voor veel Joden is dit niet hetgeen waar ze naar uitzien: het vrederijk.

Nu hebben vele getrouwe Joden het vertrouwen in de Torah weer volledig teruggekregen en is men verder van het Christendom af dan voor de oorlog. Er is een sterk geloof dat de Messias spoedig zal komen.

Da Costa heeft een lijn uitgezet die wij nu veel helderder zouden kunnen zien dan hij. Wat doen wij hier als kerk mee? Erkennen wij Israel als een apart volk? Letten wij op de ontwikkelingen van dit volk? En gezien het eigenaardige herstel van dat volk waarvan de eerste fases zichtbaar zijn, laat het ons niet onze gebreken zien? Is Israel in staat ons terug te brengen tot de ware Messias? De Jezus der schriften? Of zal de Heere Jezus zichzelf openbaren op een onmiddelijke wijze? Zullen wij Hem dan kennen?

Jos W.